Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

1.2.3.b Tijdigheid

Handleiding Wetgeving en Europa

De implementatie van Europese regelgeving moet tijdig zijn, dat wil zeggen binnen de daarvoor gestelde termijnen gerealiseerd zijn. Europese rechtsinstrumenten bevatten over het algemeen precieze bepalingen omtrent de termijn of datum waarbinnen de lidstaten maatregelen moeten vaststellen. Dat is per definitie het geval voor richtlijnen. Soms wordt daarin overigens een onderscheid gemaakt tussen de vaststelling van nationale voorschriften en de inwerkingtreding daarvan of er worden bepaalde overgangstermijnen opgenomen. Er kunnen dus meerdere data in richtlijnen zijn opgenomen die onderscheiden moeten worden van de omzettingstermijn (zie meer over termijnen in ‘II Omzetting en uitvoering/ 6.3b Verschillende data in de EU-regeling in verhouding tot inwerkingtreding nationale regelgeving’ en in verhouding tot de implementatie melding ‘III procedures/5.4 Andere meldplichten dan implementatie’.

Voorbeeld
Zie in dit verband bijvoorbeeld artikel 9 van richtlijn nr. 89/622/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de etikettering van tabaksproducten (PbEG L 359/1). De lidstaten moesten op grond van deze richtlijn vóór 1 juli 1990 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen. Volgens lid 2 van het artikel moesten deze wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uiterlijk op 31 december 1991 in werking treden.

De richtlijn bevatte daarnaast de optie om een overgangsregime te hanteren:
‘De producten die op 31 december 1991 bestaan en niet met deze richtlijn in overeenstemming zijn, mogen evenwel nog in de handel worden gebracht:

-tot en met 31 december 1992 voor sigaretten,
-tot en met 31 december 1993 voor andere tabaksproducten.’

Een andere mogelijkheid is dat bepaalde lidstaten een langere implementatietermijn wordt gegund of dat zij daarvoor kunnen opteren.

Voorbeeld
Op grond van artikel 18 van richtlijn nr. 2000/78 (algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, PbEG L 303/16) moest de richtlijn uiterlijk op 2 december 2003 in nationaal recht omgezet zijn. Echter, ‘Teneinde met bijzondere omstandigheden rekening te houden kunnen de lidstaten indien nodig beschikken over drie extra jaren vanaf 2 december 2003, ofwel een totaal van maximaal 6 jaar, om de bepalingen met betrekking tot discriminatie op grond van leeftijd en handicap uit te voeren. In dat geval stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.’

De tijdigheid van implementatie wordt voor richtlijnen in ieder geval mede beoordeeld aan de hand van het moment waarop de melding van voltooide implementatie aan de Commissie heeft plaatsgevonden. Zie voor wat betreft de vraag over aan de hand waarvan de tijdigheid van de implementatie wordt beoordeeld “III Procedures/6.2 Hoogte financiële sanctie en fatale termijn”.

Ook operationaliseringsmaatregelen moeten tijdig worden getroffen. Verordeningen kunnen een termijn geven voor de uitvoering. Dit betekent dat vanaf het moment dat de verordening in werking is getreden of van toepassing is, de daaruit voortvloeiende rechten en plichten gewaarborgd moeten zijn en volledig moeten worden toegepast. In het kader van verordeningen kunnen verschillende relevante rechtsmomenten worden onderscheiden, namelijk:

  • de vaststelling van een verordening (datum daarvan staat in de titel/de naam/het opschrift van een verordening);
  • de datum van publicatie ervan (te vinden in het Publicatieblad van de Europese Unie); 
  • de datum van inwerkingtreding van de verordening (te vinden in de tekst van de verordening);
  • eventueel de datum van toepassing (te vinden in de tekst van de verordening).

Omdat verordeningen in beginsel rechtstreeks toepasselijk zijn, bevatten zij over het algemeen slechts een datum van inwerkingtreding. Indien deze ontbreekt, treedt een verordening in werking 20 dagen na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Als nationale regelingen ter operationalisering van verordeningen nodig zijn, dan moeten die in beginsel op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening inwerking en van toepassing zijn. Om de totstandkoming van dergelijke regelingen mogelijk te maken, kan de Europese wetgever in voorkomend geval kiezen voor een ‘uitvoeringstermijn’, bijvoorbeeld door een langere periode tussen bekendmaking en inwerkingtreding van de verordening. Ook kan de verordening bepalen dat die geheel of gedeeltelijk op een later tijdstip van toepassing dient te zijn.

Voorbeeld
Een voorbeeld van een verordening waarbij er sprake is van een verschil tussen de datum van inwerkingtreding en de datum van toepassing kan gevonden worden in artikel 2 van verordening (EG) nr. 283/2008 (Verordening (EG) nr. 283/2008 van de Europese Commissie van 27 maart 2008 tot vervanging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, PbEU L 86/19). Het artikel bepaalt dat de verordening op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad in werking treedt (28 maart 2008), maar pas met ingang van 1 mei 2008 van toepassing is.

De lengte van een eventuele uitvoeringstermijn hangt over het algemeen samen met het doel en de inhoud van de desbetreffende verordening. Waar verwacht wordt dat lidstaten veel tijd nodig zullen hebben om hun regelgeving aan te passen, zal een eventuele uitvoeringstermijn langer zijn dan in het geval waarin verwacht wordt dat de daadwerkelijke toepassing nauwelijks nationale uitvoeringsmaatregelen behoeft.