Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.6.2 Hoogte financiële sanctie en fatale termijn voorkomen sanctie

Handleiding Wetgeving en Europa

De Commissie heeft in haar boetebeleid vastgelegd op welke wijze ze de boete en dwangsom berekend die ze het Hof zal verzoeken op te leggen. Voor Nederland geldt op dit moment een minimumbedrag van 3.744.000 euro. Dit is opgenomen in een mededeling van de Commissie van 9 augustus 2016 (C(2016)5091).
Op de ECER-site zijn altijd de actuele bedragen opgenomen.

In de Commissiemededeling C(2016) 8600 - EU law: Better results through better application (of: EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing, PbEU 2017, C 18) kondigt de Commissie een verscherping van haar handhavingsbeleid aan. In deze mededeling geeft ze namelijk met betrekking tot het niet-tijdig melden van volledige implementatie aan dat:

In het licht van de opgedane ervaring zal de Commissie haar praktijk ten aanzien van krachtens artikel 260, lid 3, VWEU voor het Hof van Justitie gebrachte zaken nu aanpassen, zoals zij heeft gedaan bij krachtens artikel 260, lid 2, VWEU voor het Hof van Justitie gebrachte zaken, door het Hof systematisch te verzoeken een forfaitaire som en een dwangsom op te leggen. Bij de bepaling van het bedrag van de forfaitaire som in overeenstemming met haar praktijk zal de Commissie rekening houden met de omzettingsgraad om de ernst van de niet-omzetting te bepalen.
Het logische gevolg van de aanpak betreffende de betaling van de forfaitaire som is dat de Commissie haar klacht niet louter zal intrekken omdat een lidstaat de inbreuk rechtzet door de richtlijn in de loop van de procedure om te zetten. Het Hof van Justitie kan in dat geval niet besluiten een dwangsom op te leggen omdat dit geen nut meer zou hebben. Het kan echter wel een forfaitaire som opleggen als sanctie voor de duur van de inbreuk tot het tijdstip waarop de situatie is rechtgezet, aangezien dit aspect van de zaak niet zonder voorwerp is. De Commissie zal ernaar streven het Hof van Justitie steeds onverwijld op de hoogte te brengen wanneer een lidstaat een einde maakt aan een inbreuk, in welk stadium van de gerechtelijke procedure ook. Zij zal hetzelfde doen wanneer een lidstaat na een arrest krachtens artikel 260, lid 3, VWEU de situatie rechtzet en de verplichting om een dwangsom te betalen bijgevolg afloopt.
Bij wijze van overgang zal de Commissie haar hierboven uiteengezette aangepaste praktijk alleen toepassen op inbreukprocedures waarvoor het besluit om de brief met ingebrekestelling te versturen, zal worden genomen na de bekendmaking van deze mededeling.

Tot slot zij eraan herinnerd dat de Commissie, zoals reeds uiteengezet in haar mededeling van 2011, nauwlettend onderscheid zal maken tussen een incorrecte omzetting en een (gedeeltelijk) gebrek aan omzetting.”

Het huidige beleid van de Commissie is dat ze standaard een dwangsom eist bij te late implementatie en eventueel een boete (zie de mededeling van de Commissie over artikel 260 VWEU COM(2007)502). Daarin geeft de Commissie aan zich ten doel te stellen om inbreukzaken na twaalf maanden voor het Hof van Justitie te brengen wanneer na die termijn de richtlijn nog steeds niet is omgezet. Indien alleen een dwangsom wordt geëist kunnen de lidstaten betaling van de dwangsom voorkomen door voor de uitspraak van het Hof de richtlijn alsnog te implementeren. Met het nieuwe beleid wil de Commissie dit zoveel mogelijk tegengaan door een inbreukzaak niet in te trekken louter vanwege het feit dat de betreffende lidstaat gedurende de procedure bij het Hof alsnog implementeert. Indien dit beleid inderdaad stand houdt bij het Hof betekent dat concreet dat het voortaan  niet langer mogelijk is een financiële sanctie te voorkomen, nadat de inbreukzaak wegens niet-tijdige implementatie bij het Hof aanhangig is gemaakt. Bijkomend probleem is dat er soms verschil van mening is tussen de lidstaat en de Commissie of er sprake is van volledige implementatie en of artikel 260, derde lid VWEU dus van toepassing is. Verder was er na inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon eerst het aandachtspunt niet duidelijk was of 267, derde lid VWEU alleen van toepassing is op richtlijnen die na het verdrag van Lissabon (dus 1 december 2009) zijn vastgesteld, of dat deze voor alle richtlijnen geldt. Vervolgens is er discussie ontstaan over de vraag of deze procedure ook van toepassing is op niet-wetgevingshandelingen. Uiteindelijk zal alleen het Hof van Justitie hier uitsluitstel over kunnen geven.

Gelet op dit strikte boetebeleid is het van belang om indien in de onderhandelingsfase al voorzienbaar is dat een implementatietermijn te kort is, dit mee te nemen bij de onderhandelingen. Verder is het van belang om tijdig implementeren serieus te nemen in die zin dat de Commissie ook wel degelijk kijkt naar de inspanningen in de wetgevingsprocedure bij implementatie. Dit weegt namelijk zwaar bij de overwegingen van de Commissie om al dan niet een inbreukzaak door te zetten naar het Hof. Verder is het raadzaam om de Commissie tijdig op de hoogte te stellen bij het oplopen van achterstand bij een doorgegeven planning. Indien de Commissie een planning heeft ontvangen en deze wordt steeds bijgesteld, dan weegt ook dit zwaar bij de beleidsmatige keuze van de Commissie om een inbreukzaak door te zetten.