Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 7 (Inventarisatie van (mede)betrokkenen)

Draaiboek voor de regelgeving

Het verdient aanbeveling reeds in een vroegtijdig stadium te onderzoeken of en zo ja welke andere ministeries bij de voorbereiding van de wet moeten worden betrokken. In beginsel geldt medebetrokkenheid altijd voor ministeries met wiens beleidsterrein de op te stellen of te wijzigen wet raakvlakken heeft. Ingevolge Ar 7.1 tot en met 7.6, en 8.2 e.v. moet in de daar genoemde gevallen tevens met de daarbij genoemde ministeries c.q. afdelingen contact worden opgenomen (zie nr. 10 e.v.). Zie voor medeondertekeningskwesties de Handleiding medebetrokkenheid en medeondertekening.

In bijzondere wetten en algemene maatregelen van bestuur kunnen ook andere vormen van overleg zijn voorgeschreven bijvoorbeeld met IPO, VNG en vakbonden. Een aantal adviesinstanties dient - afhankelijk van het onderwerp - verplicht te worden geconsulteerd. Het betreft onder meer de volgende instanties: de Autoriteit Persoonsgegevens (artikel 36, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming), het Adviescollege toetsing regeldruk (artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit Adviescollege toetsing regeldruk), het Bureau ICT-Toetsing (artikel 2 van het Instellingsbesluit tijdelijk Bureau ICT-toetsing) en de Raad voor de Rechtspraak (artikel 95 van de Wet op de rechterlijke organisatie), zie ook nr. 18.

Verder is het wenselijk om te bekijken welke andere partijen bij de voorbereiding van het wetsvoorstel moeten worden betrokken, te denken valt aan uitvoeringsorganisaties, degenen die door het voorstel zullen worden geraakt, deskundigen, etc. In het IAK word je bij IAK-vraag 2 "Wie zijn betrokken" nader geïnformeerd over de te betrekken partijen.

Laatst gewijzigd op: 18-2-2019