Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 47 (Indiening bij de Tweede Kamer)

Draaiboek voor de regelgeving

Op de in deze paragraaf behandelde fase van de wetgevingsprocedure heeft hoofdstuk IX van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer betrekking.

De parlementaire behandeling van een voorstel van wet begint met de indiening van het voorstel bij de Tweede Kamer. De indiening geschiedt ‘door of vanwege de Koning' (artikel 83 van de Grondwet). Indiening ‘vanwege de Koning' pleegt alléén te geschieden met betrekking tot de voorstellen voor de algemene begrotingswetten op de derde dinsdag van september en met suppletoire begrotingen. In alle andere gevallen wordt het voorstel van wet door de Koning aan de Staten-Generaal aangeboden. Het aanbieden vindt plaats via de koninklijke boodschap, een document dat door het Kabinet van de Koning wordt opgesteld en dat door de Koning wordt ondertekend. Na de indiening wordt dit stuk door de griffie van de Tweede Kamer bij de op het wetsvoorstel betrekking hebbende reeks Kamerstukken voorzien van het volgnummer 1.

De minister verzoekt de Koning tot indiening van het voorstel over te gaan in de laatste alinea van het nader rapport (nadat de opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State zijn besproken).

In Ar 283 is opgesomd welke stukken tezamen met het nader rapport aan het Kabinet van de Koning gezonden moeten worden met het oog op de indiening van het wetsvoorstel. Hiertoe behoren in ieder geval altijd het originele exemplaar van het advies van de Afdeling, het in te dienen wetsvoorstel met memorie van toelichting en het origineel en een afschrift van het nader rapport. Tot deze stukken behoort dus niet de in nr. 40 genoemde lijst met "ambtelijk door te geven kanttekeningen". Adviezen van geïnstitutionaliseerde adviesinstanties en geraadpleegde belanghebbendenorganisaties dienen meegezonden te worden, zie hiervoor ook nr. 49.

De directeur van het Kabinet van de Koning stelt de Secretarissen-Generaal van de ministeries op de hoogte van verblijf van de Koning in het buitenland. Indien de Koning in het buitenland verblijft, is er beperkte mogelijkheid tot tekenen. In die gevallen is het verstandig al vroeg tevoren contact op te nemen met het Kabinet van de Koning.

In deze fase moet naast het nader rapport ook de memorie van toelichting door de minister(s) worden ondertekend, tenzij gebruik kan worden gemaakt van het reeds getekende exemplaar dat eerder met de voordracht aan de Koning en vervolgens aan de Afdeling is gezonden (zie nr. 36). Dit laatste is het geval indien de memorie van toelichting ten opzichte van de aan de Afdeling voorgelegde versie geheel ongewijzigd is gebleven. Er dient op te worden gelet dat het wetsvoorstel in dit stadium nog niet van ministeriële handtekeningen wordt voorzien. De tekst van de wet wordt pas door de minister(s) ondertekend (in verband met het contraseign) nadat het door de beide Kamers der Staten-Generaal aanvaarde voorstel door de Koning is bekrachtigd.

Het is gebruikelijk de andere ministeries te informeren op welke termijn de stukken ter tekening aan de bewindspersonen zullen worden voorgelegd.

Het kan van belang zijn (onder meer voor voorlichtingsactiviteiten) om te weten op welk tijdstip het Kabinet van de Koning de stukken doorzendt naar de Tweede Kamer. Daarom wordt bij het nader rapport een begeleidend memo gevoegd (zie het model in de bijlage ) met de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de behandelend ambtenaar en eventueel het verzoek deze op de hoogte te stellen van de indiening. Dit tijdstip wordt aan deze ambtenaar telefonisch door het Kabinet van de Koning meegedeeld. Op sommige ministeries is in dit verband een vaste contactambtenaar aangewezen. Dit blijkt in de praktijk een goede werkwijze.

Ministeries dienen alle stukken (dus niet alleen wetgevingsstukken, maar ook nota's, brieven et cetera) op dezelfde dag waarop zij door het Kabinet van de Koning aan de Tweede Kamer worden gestuurd tevens per e-mail aan de Tweede Kamer toe te zenden.

Hierbij dient een begeleidend memo met de gegevens van de behandelend ambtenaar (zie het model in de bijlage) aan de Tweede Kamer te worden gezonden. In het geval dat toezending per e-mail niet mogelijk is (bijvoorbeeld in verband met de omvang van de stukken), dient het ministerie de stukken op een USB of CD met het begeleidend memo aan de Tweede Kamer te zenden.

In het geval men bij de indiening van het wetsvoorstel tevens de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel (of de memorie van toelichting) zoals voorgelegd aan de Afdeling toezendt aan de Tweede Kamer ten behoeve van het ter inzage leggen (zie nr. 44), dient duidelijk te worden aangegeven welke tekst van het wetsvoorstel (of de memorie van toelichting) wordt ingediend. Dit om verwarring over het in te dienen wetsvoorstel te voorkomen.

Wetgevingsstukken die aan de Staten-Generaal worden aangeboden dienen te worden gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Dit geldt ook voor stukken waarvan men weet dat zij in feite bestemd zijn voor de Kamercommissie die met de voorbereiding van de behandeling van het wetsvoorstel zal worden belast. De griffie van de Tweede Kamer draagt na de ontvangst van het wetsvoorstel met de bijbehorende stukken zorg voor het laten vervaardigen van de betrokken kamerstukken en het in handen stellen van het wetsvoorstel bij de Kamercommissie die het voorbereidend onderzoek zal verrichten (artikel 90 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer).
Tweede Kamerstukken (verslagen, nota’s van wijziging, amendementen, moties, etc.) worden vrijwel direct na de vervaardiging automatisch geplaatst op www.tweedekamer.nl. Het is mogelijk over die plaatsing automatische e-mailnotificaties te ontvangen. Daartoe kan op diverse plekken op www.tweedekamer.nl een [!]-icoontje worden aangeklikt. Een attendering voor de Kamerstukken van een wetsvoorstel kan bijvoorbeeld worden ingesteld via de webpagina van een specifiek wetsvoorstel op www.tweedekamer.nl (Kamerstukken >> Wetsvoorstellen >> Commissie >> selecteer het wetsvoorstel en dan [!]).

Laatst gewijzigd op: 23-8-2018