Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

1.2.3.a Nuttig effect

Handleiding Wetgeving en Europa

Naast de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 288 VWEU en het instrument zelf, moeten lidstaten in het kader van het loyaliteitsbeginsel van artikel 4 VWEU de noodzakelijke maatregelen treffen voor de daadwerkelijke verwezenlijking van het door Europese regelgeving beoogde resultaat. De nationale wetgever die Europese regelgeving implementeert, zal dus rekening moeten houden met dit doel.

De lidstaten dienen alles te doen of na te laten wat voor de volledige en daadwerkelijke toepassing van het Europese recht in de nationale rechtsorde nodig is (zie onder meer HvJ EG, 21 september 1989, C-68/88 (Commissie v. Griekenland), Jur. 1989 p. 2965, HvJ EG, 18 december 1997, C-129/96 (Inter- Environnement Wallonie ASBL tegen Région wallonne), Jur. 1997 p. I-07411).

De consequentie van de toepassing van het loyaliteitsbeginsel is dus dat implementatie geen puur technische aangelegenheid is van het overzetten van Europese normen in nationale wet- en regelgeving. Van de nationale wetgever wordt verwacht dat deze nagaat wat de doelstellingen zijn van de Europese regelgeving die geïmplementeerd moet worden en vervolgens of de implementatieregeling zowel op papier, maar vooral ook in de praktijk daaraan kan voldoen. Maatgevend is of de maatregelen in voldoende mate het nuttig effect van de regeling realiseren op nationaal niveau. Een en ander betekent voor de nationale wetgever die Europese regelgeving implementeert, dat doelbepalingen in de betreffende regelgeving en de overwegingen voorafgaand aan de artikelen (de ‘considerans’) een belangrijke interpretatiebron zijn. Ook totstandkomingsgeschiedenis en context kunnen hiervoor van belang zijn.

Het Hof van Justitie heeft de doctrine van nuttig effect ontwikkeld in aanvulling op het beginsel van Unietrouw. Dit leerstuk brengt met zich dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het nuttig effect van het Unierecht. In de beoordeling hiervan gaat het Hof uit van de doelstellingen van het Unierecht en de manier waarop deze het beste kunnen worden gerealiseerd. Het beginsel van Unietrouw en het nuttig effect van het Unierecht brengen met zich dat de lidstaten voor het garanderen van de volledige en onverkorte werking van het Unierecht niet kunnen volstaan met een passieve houding. Integendeel, lidstaten moeten zich actief opstellen om het nationale recht in overeenstemming te brengen met het Unierecht en de daadwerkelijke toepassing en handhaving te waarborgen.

Daar waar in de Europese handelingen expliciete opdrachten aan de lidstaten ontbreken, kunnen zij toch voortvloeien uit de loyaliteitsverplichting en het nuttig effect. Dit vergt daarom een bepaalde alertheid van wetgevingsjuristen die Europese regelgeving implementeren. Ook daar waar bijvoorbeeld geen expliciete en nader gespecificeerde informatieverplichtingen of handhavingsmechanismen worden voorgeschreven, kan het toch voorkomen dat op grond van artikel 4 VWEU en het leerstuk van het nuttig effect noodzakelijk is dat de nationale wetgever die de Europese regelgeving implementeert  hier iets voor moet regelen.

In zaak C-68/88 Griekse maïs (HvJ EG, 21 september 1989, C-68/88 (Commissie v. Griekenland), Jur. 1989 p. 2965), bijvoorbeeld, heeft het Hof bepaald dat het loyaliteitsbeginsel de verplichting met zich brengt dat lidstaten de Europese Commissie de benodigde informatie verstrekken, zodat de Europese Commissie kan controleren of de betrokken lidstaat het Unierecht juist toepast.

Het arrest van het Hof in de zaak C-14/83 Von Colson en Kamann (HvJ EG, 10 april 1984, C-14/83 (Von Colson en Kamann), Jur. 1984 p. 1891) biedt een goed voorbeeld van de toepassing van de nuttig-effect-leer. In deze zaak ging het om de implementatie van een richtlijn over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het arbeidsproces. De richtlijn bevatte voornamelijk materiële normen en daarnaast de bepaling dat de vermeende slachtoffers van discriminatie hun rechten voor het gerecht moesten kunnen laten gelden. De richtlijn voorzag echter niet in nadere bepalingen over het type en omvang van sancties c.q. de toe te kennen schadevergoeding. Het Hof bepaalde dat de lidstaten voor wat de keuze van de sancties betreft vrij waren, maar dat de maatregelen die getroffen zijn  een daadwerkelijke en doeltreffende rechtsbescherming moeten bieden en (dus) ten opzichte van de werkgever een voldoende afschrikwekkende werking moeten hebben. Een louter symbolische schadevergoeding achtte het Hof om die reden onvoldoende om het nuttig effect van de richtlijn te waarborgen.