Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 5.33 Verwerking van persoonsgegevens

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de toelichting een expliciete afweging van de belangen van verantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.

Toelichting

Een regeling waarin de verwerking van persoonsgegevens een belangrijke plaats inneemt, bevat ter uitvoering van de artikelen 7 en 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking. Die doeleinden dienen ook gerechtvaardigd te zijn. Bij het ontwerpen van een dergelijke regeling wordt daarom ook altijd een afweging gemaakt tussen de belangen, gemoeid met de verwerking van persoonsgegevens en het belang van de bescherming van die gegevens. Zie in dit verband ook aanwijzing 4.43, onderdeel d. Het internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke kader en de Grondwet worden bij de belangenafweging in acht genomen. Daarnaast vereist de afstemming van bijzondere wettelijke regelingen op de Wet bescherming persoonsgegevens, mede met het oog op het legaliteitsbeginsel, aparte aandacht. De verwerking van bijzondere gegevens is ingevolge artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens in beginsel verboden. Indien de Wet bescherming persoonsgegevens niet voorziet in een uitdrukkelijke regeling van de verwerking van deze gegevens zal daarvoor steeds op het niveau van de formele wet een regeling moeten worden getroffen.

Vanaf 25 mei 2018 is Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) van toepassing. De bepalingen van deze verordening inzake onder meer de beginselen voor de verwerking van persoonsgegevens, de rechtsgrondslagen voor verwerking en verdere verwerking, en de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zullen in de plaats treden van de Wet bescherming persoonsgegevens en rechtstreeks gelden. De algemene beginselen voor rechtmatige gegevensverwerking volgen dan uit artikel 5 van de verordening. De eisen die daarin staan zijn vergelijkbaar met de eisen die de Wet bescherming persoonsgegevens stelt. Van belang is bij het opstellen van nieuwe regelingen geen bepalingen op te nemen die een juiste toepassing en verwezenlijking van de werking van de verordening en, voor zover van toepassing, Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 119) in gevaar kunnen brengen.