Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 2.3 Voorafgaand onderzoek

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

Alvorens tot het tot stand brengen van een regeling wordt besloten, worden de volgende stappen gezet:

  1. kennis wordt vergaard over de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
  2. de doelen die moeten worden bereikt, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
  3. onderzocht wordt of de doelen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren, of dat daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is;
  4. indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet om de doelen te bereiken;
  5. de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.

Toelichting

Deze aanwijzing brengt tot uitdrukking dat keuzes voor regelgeving als sturingsinstrument, maar ook de keuzes die vervolgens met betrekking tot de inhoud en vormgeving van die regelgeving worden gemaakt, gebaseerd dienen te zijn op kennis van alle relevante factoren en op een gedegen analyse daarvan. Over deze keuzes wordt verantwoording afgelegd in de toelichting bij de regeling, zodat andere actoren in het proces (bijvoorbeeld adviesinstanties, het parlement en het publiek) in staat zijn zich een oordeel te vormen over het (voorgestelde) product. Verder heeft de toelichting op de gemaakte keuzes ook voor de rechtspraktijk een functie doordat deze toelichting behulpzaam kan zijn bij de interpretatie van de regeling (zie voor de eisen aan de toelichting ook paragraaf 4.9).

Het Integraal Afwegingskader beleid en regelgeving (IAK; te raadplegen op www.naarhetIAK.nl) heeft tot doel het afwegings- en verantwoor­dings­­proces bij het formuleren van beleid en regelgeving te ondersteunen. Het kabinet heeft in 2011 beslist dat dit afwegingskader toegepast dient te worden bij de voorbereiding en verantwoording van beleid en regelgeving (Kamerstukken II 2010/11, 29515, nr. 330).

Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43.

Onderdeel a: kennis feiten en omstandigheden. Kennis van de relevante feiten en omstandigheden is noodzakelijk om tot een verantwoorde besluitvorming te kunnen komen. Allereerst moet de betrokken kennis worden gebruikt voor het formuleren van de doelen. Vervolgens is zij nodig voor de beantwoording van de vraag in hoeverre overheidsinterventie nodig is en voor de afweging van de verschillende mogelijkheden tot overheidsinterventie. Gewoonlijk vindt het verzamelen van de gegevens overigens gefaseerd plaats. Voor elke nieuwe stap in het besluitvormingsproces zijn veelal weer nieuwe (meer gedetailleerde) gegevens nodig.

Onderdeel b: nauwkeurige doelstelling. Een zo concreet en nauwkeurig mogelijke vaststelling van doelen houdt in dat verschillende doelen duidelijk worden onderscheiden. Waar dat mogelijk en relevant is, dient ook te worden vastgesteld binnen welke termijn een doel bereikt moet zijn. Indien kwantificering, financieel of anderszins, van een doel mogelijk is, dient deze ook te geschieden.

Onderdeel c: noodzaak overheidsinterventie. Slechts voor zover het zelfregulerend vermogen van de maatschappij tekortschiet, moet worden gedacht aan overheidsmaatregelen. Zie aanwijzing 2.5.

Onderdeel d: alternatieven overheidsinterventie. Bij het onderzoek naar de mogelijkheden die de overheid ten dienste staan om een doel te bereiken, dienen de verschillende denkbare alternatieven de revue te passeren. Het gaat daarbij evenzeer om instrumenten die door middel van wetgeving worden gecreëerd (zoals geboden en verboden, een vergunningenstelsel en een heffingenstelsel) als om andere middelen (zoals feitelijk optreden van de overheid en subsidies). Overigens brengt het uitgangspunt van de rechtsstaat mee dat ten aanzien van deze andere middelen veelal ook wettelijke voorzieningen moeten worden getroffen, bijvoorbeeld in verband met het bieden van rechtswaarborgen.

Het onderzoek naar de mogelijkheden tot overheidsinterventie kan ook tot de slotsom leiden dat de overheid de betrokken doelen niet kan realiseren. Dan behoort van overheidsinterventie te worden afgezien.

Wat wettelijke regelingen betreft kunnen te onderzoeken varianten zowel betrekking hebben op de opzet van een wettelijke regeling als zodanig als op onderdelen van een regeling (bijvoorbeeld het systeem van rechtsbescherming waarvoor wordt gekozen).

Het zal van de aard van het betrokken geval afhangen of de in deze aanwijzing bedoelde onderzoeken omvangrijk dienen te zijn of beperkt van aard kunnen blijven. Het is echter wel noodzakelijk dat de in deze aanwijzing bedoelde stappen worden gezet, indien het tot stand brengen van een regeling een van de mogelijkheden tot overheidsinterventie is.