Doenvermogen

Trefwoord(en):

Inhoudsopgave

1. Wat is de verplichte kwaliteitseis?

De verplichting om in de beleidsvorming rekening te houden met het doenvermogen is als kwaliteitseis door het kabinet vastgesteld naar aanleiding van het WRR-rapport Weten is nog geen doen; Een realistisch perspectief op redzaamheid uit april 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 34775 VI, nr. 88 en nr. 113).

Ook van uitvoerders wordt gevraagd om in de uitvoeringstoets naar voren te brengen hoe de uitvoering aan zal sluiten bij het doenvermogen van de doelgroep waarmee ze te maken hebben. De departementen hebben zelf de taak om voor de uitvoeringsorganisaties die onder hun verantwoordelijkheid vallen concrete werkafspraken te maken over de wijze waarop deze doenvermogentoets in de diverse uitvoeringstoetsen wordt opgenomen (Kamerstuk  2018/2019, 34775, nr. AQ).

Terug naar boven

2. Wat is doenvermogen?

Mensen moeten beleid, wet- en regelgeving niet alleen begrijpen, maar er ook naar kunnen handelen. Dat vraagt doenvermogen. Doenvermogen is het vermogen om in actie te komen en vol te houden, zelfs bij tegenslagen. Het draait dan niet zozeer om mensen hun cognitieve vermogens zoals intelligentie of digitale vaardigheden, maar om hun niet-cognitieve vermogens. Dit doenvermogen komt bij alle mensen sterk onder druk te staan bij te veel stress, zoals door levensgebeurtenissen. Iedereen is anders, en zo komt het omslagpunt naar té veel stress bij ieder individu op een ander moment. Er kunnen ook andere redenen zijn voor laag doenvermogen, zoals het hebben van een bepaalde beperking. Wanneer partijen (zoals uitvoeringsorganisaties of gemeenten) veel handelingen verwachten van een individu vraagt dit veel doenvermogen. Als mensen dan niet de juiste acties ondernemen is dit niet per se een kwestie van niet willen, maar kan dat ook een kwestie zijn van niet kunnen. Het niet kunnen is dan geen vrijwillige keuze. Het begrip doenvermogen uit het WRR-rapport is weliswaar gericht op burgers, maar het kabinet past het ook toe op zzp’ers en het (kleine) MKB (Kamerstuk  2018/2019, 34775, nr. AQ).

Terug naar boven

3. Waarom moet er rekening gehouden worden met doenvermogen?

Veel beleid en regelgeving hanteren een rationalistisch perspectief: als burgers maar genoeg voorlichting en de juiste financiële prikkels krijgen, zullen zij vanzelf de regels volgen. De praktijk is echter anders, zo leren de vele onderzoeken rond toeslagen en uitkeringen. Daar kwamen bonafide burgers in grote problemen, omdat de regelgeving te veel alertheid van hen verwachtte. De gedragswetenschap leert dat het denk- en doenvermogen van burgers niet onuitputtelijk is. Dat geldt niet alleen voor laaggeletterden of minderbegaafden, maar ook voor theoretisch opgeleide burgers.

Bij het maken van beleid is het daarom verstandig als de overheid een realistisch perspectief op burgers hanteert en meer aandacht heeft voor de doenlijkheid van beleid en regelgeving. De burger moet de wet niet alleen ‘kennen’, maar hem ook ‘kunnen’. Aandacht voor de doenlijkheid van beleid is niet hetzelfde als betere voorlichting geven en het gebruik van begrijpelijke formulieren. Meer aandacht voor heldere taal richt zich vooral op de beperkingen aan het denkvermogen van burgers. Een begrijpelijke uitleg is zeker belangrijk, maar niet genoeg. Burgers moeten ook in staat zijn om daar vervolgens naar te handelen. Daarbij gaat het om een ander soort mentale vermogens, zoals alertheid, het vermogen om in actie te komen, het hoofd voldoende koel houden, en om het vasthouden aan goede voornemens. Net als het menselijk denkvermogen, kent ook dat doenvermogen zijn grenzen. Burgers verschillen onderling in de mate van doenvermogen, en in situaties van stress en mentale belasting kan dat vermogen bij een ieder sterk teruglopen.

Een doenvermogentoets geeft inzicht of beleid, wet- en regelgeving uitgaat van realistische aannames over het doenvermogen van de doelgroep. Beleid dat is ontworpen vanuit een realistisch perspectief zal bijdragen aan een faire behandeling van burgers en zal de effectiviteit en legitimiteit van beleid vergroten. De doenvermogentoets wordt ook wel eens doenvermogenscan genoemd.

Terug naar boven

4. Wanneer hou ik rekening met doenvermogen?

Van groot belang is dat beleidsmakers en regelgevers al bij het ontwikkelen en inrichten van een nieuw voorstel inzicht krijgen in hoe belastend hun regels in de praktijk zullen zijn voor echte burgers. De benaming ‘doenvermogentoets’ wekt wellicht de indruk dat aandacht voor doenvermogen zich concentreert op de laatste fase van het beleidsproces, waarin ook de uitvoeringstoets plaatsvindt. Om te komen tot beleid en regelgeving uitgaande van een realistisch perspectief op de burger moet je echter in elke fase van het beleidsproces aandacht besteden aan gedrag en doenvermogen van mensen, zeker ook in het begin.

Terug naar boven

5. Hoe voer ik een doenvermogentoets uit?

Een beleids- en regelgevingstraject moet voldoende tijd bieden om onderzoek te doen naar doenvermogeneffecten. Uitvoeringsorganisaties beschikken over kennis of voorzieningen, zoals een panel, die bruikbaar zijn om te onderzoeken in hoeverre beleid of regelgeving doenlijk is voor burgers. Tijdens de uitvoeringstoets kan de tijdsdruk de mogelijkheden beperken voor de uitvoeringsorganisatie om nieuw onderzoek te doen en andere instrumenten, zoals een experiment of klantreis, in te zetten. Hoe sneller je de uitvoeringsorganisatie inschakelt in de beleidsvoorbereiding, hoe sneller hun kennis meegenomen kan worden.

Hulpmiddelen om een doenvermogentoets te doen:

  1. Breng in beeld om wie het gaat en betrek hen
  2. Praat met uitvoerders
  3. Test nieuw beleid vooraf op doenlijkheid
  4. Breng burgerreizen/ondernemerreizen in kaart
  5. Betrek een doenvermogen expert

Basisstappen om tot een doenvermogen oordeel te komen:

  1. Breng in kaart hoeveel acties worden verwacht in het bestaande of voorgenomen beleid.
  2. Is er sprake van samenloop met levensgebeurtenissen of andere situaties van grote stress?
  3. Is er sprake van cumulatie van lasten door andere regelgeving?
  4. Welke mentale belasting brengt de regeling mee en kunnen die lasten omlaag?
  5. Zijn de gevolgen van onoplettendheid te overzien en in verhouding?

Schrijfinstructie doenlijkheid

Betreft jouw beleid burgers, zzp’ers en/of het MKB? Maak dan inzichtelijk wat je verwacht van de doenlijkheid, wat de onderbouwing daarvan is en wat de gemaakte afwegingen zijn.  

  • Heb je doenlijkheid niet meegewogen? beargumenteer waarom niet
  • Heb je doenlijkheid meegewogen? beschrijf onderstaande punten
Beschrijf jouw conclusies met betrekking tot doenlijkheid

Welke inzichten m.b.t. menselijk gedrag en doenlijkheid heb je meegenomen in jouw afwegingen? 

  • Beschrijf hoe je doenlijkheid hebt afgewogen met andere kwaliteitseisen en criteria. Denk aan afwegingen m.b.t. kosten en uitvoerbaarheid. Wanneer je niet kiest voor de meest doenlijke optie, beargumenteer je afweging.
  • Voorbeeld: Het kabinet beseft dat dit doenvermogen vraagt van de burger (het voeren van een administratie met bewijsstukken, het onder woorden kunnen brengen en beargumenteren dat de eigen situatie binnen het toepassingsbereik van de hardheidsclausule valt). De verwachting is echter dat er in een beperkt aantal zaken een beroep op de hardheids clausule nodig zal zijn, mede gezien [...]. Het kabinet meent dat het daarom aanvaardbaar is om een beroep te doen op het doenvermogen van burgers. (Uit: Belastinglan 2024, invoering hardheidsclausule invorderingswet)

Vat jouw conclusies over de doenlijkheid samen.

  • Beschrijf welke wijzigingen je hebt doorgevoerd om het voorstel doenlijker te maken.
  • Beschrijf welke mogelijke knelpunten m.b.t. doenlijkheid je nog steeds verwacht en hoe je die gaat ondervangen.
  • Beschrijf voor elk van de doelgroepen in hoeverre het aannemelijk is dat zij het gedrag zullen vertonen dat nodig is om het beleidsdoel te bereiken.
  • Neem geanonimiseerde quotes op van de doenlijk om jouw conclusies t.a.v. doenlijkheid te illustreren.
Beschrijf de aanpak en onderbouwing van hoe je tot deze conclusies bent gekomen

Beschrijf wat je hebt ondernomen om deze conclusies t.a.v. doenlijkheid te trekken.

  • Beschrijf of het voorstel aan de doelgroepen is voorgelegd, en zo ja, hoe
  • Beschrijf of het voorstel aan uitvoerend professionals is voorgelegd, en zo ja, hoe
  • Beschrijf welke rapporten zijn geraadpleegd of welke onderzoeken of methodieken zijn uitgevoerd
  • Als je wijzigingen hebt doorgevoerd in het voorstel na het ophalen van inzichten t.a.v. doenlijkheid, zijn die wijzigingen dan ook voorgelegd aan de doelgroepen?

Beschrijf waarom jouw aanpak passend is bij de context van jouw beleidstraject.

 

Terug naar boven

6. Waar kan ik informatie vinden om de doenvermogentoets te doen?

De WRR ontwierp op verzoek van de Eerste Kamer een doenvermogentoets:

Volg de e-learning over het toepassen van de doenvermogentoets die is ontwikkeld voor het Beleidskompas: Doenvermogen: hoe maak je doenlijk beleid en regelgeving?.

Terug naar boven

7. Wie kan mij verder helpen met de doenvermogentoets?

  • Bij de beleidsvoorbereiding op de kerndepartementen: Op elk departement is een coördinator gedragskennis die jou verder kan helpen, die kun je vinden via het overzicht van het Behavioural Insights Netwerk Nederland (BIN NL).
  • Bij de uitvoeringstoets: Wil je meer leren of kennis uitwisselen over een doenvermogentoets? Sluit dan aan bij het Leerplatform Doenvermogen.

Terug naar boven

8. Welke andere kwaliteitseisen hangen samen met doenvermogen?

  • Aanwijzingen voor de regelgeving   
    Noodzakelijkheid. Als regelgeving niet noodzakelijk of effectief is, is de gevraagde hoeveelheid doenvermogen disproportioneel, zie aanwijzing 2.2.   
    Alternatievenafweging. De wijze van reguleren moet de minst belastende zijn voor samenleving en overheid, zie aanwijzing 2.10.
  • Comptabiliteitswet    
    Doeltreffendheid en doelmatigheid. De mate van doelbereik en doeltreffendheid zijn mede bepalend voor de proportionaliteit van het doenvermogen dat een voorstel vraagt. Tevens draagt doenlijkheid bij aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van een voorstel, zie o.a. artikel 3.1 Comptabiliteitswet.
  • Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid   
    De doenvermogentoets is al in de bestaande Uitvoerings- en Handhavingstoets (U&H-toets) geïncorporeerd, zo wordt helder dat een gedegen burgerperspectief ook onderdeel van de uitvoering is. Zo wordt van uitvoerders gevraagd om in de uitvoeringstoets naar voren te brengen hoe de uitvoering aan zal sluiten bij het doenvermogen van de doelgroepen waarmee ze te maken hebben.

Terug naar boven

Laatst gewijzigd op: 8-5-2024