Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Doenvermogen

Trefwoord(en): Doenvermogen, WRR

Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving

Beschrijving

In april 2017 verscheen het WRR-rapport ‘Weten is nog geen doen; Een realistisch perspectief op redzaamheid’. De WRR beveelt hierin onder meer aan om bij voorgenomen beleid en regelgeving vooraf te toetsen of nieuw beleid of regelgeving  ‘doenlijk’ is voor burgers door het uitvoeren van een doenvermogentoets. Het kabinet heeft in de reactie op het rapport deze aanbeveling overgenomen. Hieronder vind je meer informatie over het begrip doenvermogen, de rol van gedrag in overheidsbeleid, over keuzearchitectuur en over de doenvermogentoets. 

Doenvermogen

Het WRR-rapport maakt onderscheid tussen het denkvermogen en het doenvermogen. Het denkvermogen wordt beïnvloed door cognitieve vaardigheden en intelligentie. Het doenvermogen hangt af van de persoonskenmerken temperament, zelfcontrole en overtuiging van eigen kunnen. Doenvermogen staat dus voor een groot deel los van intelligentie.

Soms doen zich gebeurtenissen voor die de mentale vermogens van burgers onder druk zetten. In periodes van stress, bijvoorbeeld door life-events zoals het verliezen van je baan of een scheiding, kan het doenvermogen onder druk komen te staan, terwijl in deze periodes juist wordt verwacht dat iemand in actie komt (bijvoorbeeld voor het aanvragen van een uitkering).

Bij het voorbereiden van nieuw beleid en regelgeving moet je als beleidsambtenaar of wetgevingsjurist beter bekijken of de regeling ‘doenlijk’ is voor burgers, zelfs wanneer zij een lastige periode doormaken en hun mentale vermogens zwaar worden belast. In uitvoeringstoetsen moet niet alleen het perspectief van uitvoeringsorganisaties worden betrokken, maar ook het perspectief van de doelgroep(en). Zij moeten  de wet niet alleen kennen maar ook ‘kunnen’. Kernvraag: gaat het beleid en de regelgeving van de overheid uit van realistische assumpties over de mentale belastbaarheid van de doelgroep?

Gedrag

Gedrag speelt in overheidsbeleid een belangrijke rol. Zie voor meer informatie: Gedragscomponenten. Voor effectief beleid is het van belang te weten hoe burgers reageren op een bepaalde maatregel.  Mensen kunnen informatie op twee manieren verwerken, dat wil zeggen op een bewuste manier (rationeel nadenken, voor- en nadelen afwegen) en op een onbewuste manier (intuïtief, snel en spontaan). Het grootste deel van het menselijk handelen komt voort uit het onbewuste. Mensen hebben slechts zeer beperkt ruimte om rationele keuzes te maken. Dit maakt dat je er als beleidsmaker/wetgevingsjurist rekening mee moet houden dat je aanspraak doet op een schaarse capaciteit. Het is dus belangrijk enerzijds een inschatting te maken van het doenvermogen van burgers (maar ook bedrijven) en anderzijds zoveel mogelijk gebruik te maken van de inzichten over gedrag.

Waar men voorheen dacht dat het goed was om mensen veel keuzes aan te bieden, geven nieuwe inzichten aan dat dit kan leiden tot keuzestress, waardoor mensen bijvoorbeeld geen keuze maken, hun keuze uitstellen, of zich laten leiden door de standaardoptie (of default) indien deze aanwezig is. Mensen willen de keuzes op een bewuste manier verwerken, maar hebben slechts een beperkte capaciteit, waardoor mensen het moeilijk vinden om een goede keuze te maken. Deze reactie is vergelijkbaar met de situatie wanneer mentale vermogens onder druk staan. Inactie staat niet gelijk aan onwil, maar mensen raken overweldigd door het aantal keuzes. Door het keuzeaanbod te beperken en/of door in te spelen op de standaardoptie kun je mensen sturen naar een beslissing die hen ondersteunt om actie te ondernemen.

Keuzearchitectuur

De overheid kan inspelen op beperkte niet-cognitieve vermogens van burgers door de keuzearchitectuur aan te passen. Dat kan met behulp van simpele labels, het aanvinken van standaardopties (defaults), opt-outstelsels , “ongewenste” keuzes beperkt mogelijk maken of geschaalde vrijheden (dat wil zeggen, een verplichte basisvoorziening met daarboven vrijheid voor extra opties). Zo worden bijvoorbeeld verleidingen teruggedrongen, zodat mensen niet voortdurend een beroep hoeven te doen op hun zelfcontrole.Het uitgangspunt moet zijn dat als de burger niets doet het nog steeds goed gaat en ongewenste situaties zoveel mogelijk  worden voorkomen. Zie voor meer informatie: Keuzearchitectuur.

Toepassing

Doenvermogentoets

Effectief beleid moet rekening houden met de mentale vermogens van burgers.  De WRR beveelt aan om bij voorgenomen beleid en regelgeving vooraf te toetsen of de regeling ‘doenlijk’ is voor burgers (doenvermogentoets).  Het kabinet heeft deze aanbeveling overgenomen. Hieronder staan enkele suggesties en vragen die hierbij kunnen worden meegenomen. Indien aan de orde moet in de toelichting worden ingegaan op de manier waarop rekening is gehouden met het doenvermogen (is uitgegaan van een realistische inschatting van het doenvermogen en zijn er passende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld door bepaalde keuzearchitectuur?).

Inhoud doenvermogentoets

De volgende inhoudelijke vragen kunnen helpen bij het beoordelen van de kwaliteit van voorgenomen beleid en regelgeving:

  • Onderzoek naar doelgroep:
    • Is er onderzoek gedaan naar de samenstelling en specifieke eigenschappen van de doelgroep?
  • Mentale belasting:
    • Welke mentale lasten – zoals het verwerken van informatie, beoordelen van de eigen situatie, in actie komen, deadlines in de gaten houden, bezwaar maken tegen niet-correcte besluiten – brengt de regeling mee voor de burger?
    • Kunnen die lasten omlaag?
    • Is het mogelijk voor burgers om routines te ontwikkelen of wordt er voortdurend oplettendheid gevraagd omdat onderdelen van de regeling regelmatig wijzigen?
    • Vraagt de regeling dat burgers zelf veel in actie komen, of wordt er met een default gewerkt?
    • Hoe eenvoudig is het gemaakt om de regel na te leven? Zijn eventuele barrières die het lastig maken om na te leven weggenomen?
  • Cumulatie van lasten:
    • Hoe verhoudt de regeling zich tot aanpalende regelingen?
    • Wat is de totale mentale belasting voor burgers die onder de regeling vallen?
    • Is aannemelijk dat er sprake is van samenloop van de regeling met life events, waarvan bekend is dat ze de mentale belastbaarheid van mensen negatief beïnvloeden?
  • Gevolgen van inertie of fouten:
    • Wat gebeurt er als iemand niet direct in actie komt en bijvoorbeeld de brief niet openmaakt, het formulier niet invult of opstuurt?
    • Leiden kleine fouten direct tot grote gevolgen, of zijn er mogelijkheden van herstel?
    • Kan de burger terugkomen op een beslissing en hoeveel doenvermogen vraagt dit?
    • Is er een hardheidsclausule en hoeveel vraagt die aan doenvermogen?
  • Hulp en vroegsignalering:
    • Is voorzien in een toegankelijke frontoffice voor wie er zelf niet uitkomt?
    • Is voorzien in vroegsignalering en een actieve benadering van probleemgevallen?

Proces doenvermogentoets

De volgende acties kunnen helpen bij het voorbereiden en beoordelen van nieuw beleid en regelgeving :

  • Voer ex-ante onderzoek uit onder burgers, bijvoorbeeld via testpanels, simulaties of experimenten.
  • Zorg daarbij voor betrokkenheid van alle relevante doelgroepen en burgerprofielen.
  • Raadpleeg ook andere bronnen, zoals onderzoek of ervaringen met vergelijkbaar beleid en regelgeving, die inzicht geven in de doenlijkheid van het voorgestelde beleid of regelgeving.

Meer informatie

Kenmerken
KenmerkToelichting
Voor wieBeleidsmakers, wetgevingsjuristen en uitvoerders
EigenaarMinisterie van Justitie en Veiligheid

Relevante toetsingsinstanties
Relevante toetsingsinstantiesToelichting
Rijksbrede wetgevingstoetsingInclusief uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (U&H)
Relevante IAK-vragen
Relevante IAK-vragen
2 Wie zijn betrokken?
3 Wat is het probleem?
4 Wat is het doel?
6 Wat is het beste instrument?
7 Wat zijn de gevolgen?

Naar overzicht verplichte kwaliteitseisen

Laatst gewijzigd op: 8-8-2018