Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Toepassen gedragsinzichten

Trefwoord(en): Doenvermogen, WRR

Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving

Inhoudsopgave

Wil je gedragsinzichten toepassen in een beleids- of wetgevingstraject? Met onderstaand stappenschema krijg je inzicht in de wijze waarop gedrag van burgers, bedrijven en instellingen van invloed is op het doel, de interventie en de implementatie die je met je beleid of regelgeving wilt bereiken. Je kunt dit stappenplan gebruiken naast de andere vragen van het IAK. Het is bijvoorbeeld handig om je beleidsdoel al bepaald te hebben. Ben je op zoek naar een gedragsexpert? Neem contact op met de BIN NL contactpersoon van het departement waar je werkzaam bent.

Stap 1. Breng het huidig gedrag in kaart

Breng in kaart welke huidige gedragingen de ongewenste situatie in stand houden, verergeren of verbeteren. Kijk hierbij ook naar welke feiten en cijfers bekend zijn over het gedrag. Deze kun je vinden in beleidsstukken, onderzoeken, literatuur, etcetera. Daarnaast kan je veel inzicht krijgen in het huidige gedrag door contact op te nemen met toezichthouders en uitvoerders. Ga ook na op welke momenten en in welke situaties het ongewenste gedrag voorkomt.

Terug naar boven

Stap 2. Bepaal de doelgroep

Uit de analyse van het huidige gedrag komen verschillende actoren naar voren die een rol spelen in de ongewenste situatie. Ga na bij welke doelgroep je het huidige gedrag wilt veranderen. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld: de mate van invloed van deze groep op de ongewenste situatie; mate waarin het huidige gedrag een probleem is voor de persoon zelf of zijn of haar omgeving, de mate waarin je gedragsverandering kansrijk acht, de mate waarin je toegang hebt tot de doelgroep of diens sociale omgeving, etcetera. Een krachtenveldanalyse kan ook helpen om de verschillende doelgroepen in kaart te brengen.

Als je een keuze hebt gemaakt voor een bepaalde doelgroep, ga dan na of deze groep nog onder te verdelen is in zinvolle subgroepen of segmenten. Onderverdelen is het meest zinvol als je de verdeling baseert op verwachte verschillen in motieven of drijfveren voor het vertonen van (ongewenste) gedragingen.

Terug naar boven

Stap 3. Formuleer het Gewenst gedrag

Formuleer het gedrag dat je wilt zien bij je doelgroep. Formuleer dit gedrag zo concreet mogelijk. Een mooie vuistregel is dat gedrag pas concreet is, als je het kan filmen. Als het gedrag niet te filmen is, dan is het nog niet concreet genoeg. Sta in deze stap ook stil bij de situaties waarin en de momenten waarop je het gewenste gedrag wilt zien. Ga na of mensen eenmalig, weinig of juist heel vaak in een dergelijke situatie terecht komen. En ga na of mensen veel, weinig of niet nadenken over hun gedrag in deze situaties. Gebruik hierbij de in de vorige stappen verzamelde informatie. Het is mogelijk om meerdere gedragsdoelen te formuleren. Deze vraag kan je helpen bij het formuleren van een gedragsdoel:

Wie vertoont in plaats van het huidige gedrag in de toekomst welk gedrag, waar en wanneer?

Houd bij het formuleren van het gewenste gedrag rekening met het doenvermogen van mensen en zorg dat het realistisch is.

Terug naar boven

Stap 4. Context, motieven en drijfveren

De volgende stap is het in kaart brengen welk proces/welke stappen de doelgroep doorloopt bij het vertonen van het gewenste gedrag en met welke partijen diegene dan te maken krijgt. In welke context bevindt de doelgroep zich? Wat moet iemand allemaal doen om het gewenste gedrag te vertonen? Met welke partijen komt deze persoon in aanraking? Het is dus van belang naar de bredere context van de doelgroep te kijken en te bedenken met welke partijen de doelgroep nog meer te maken heeft.

De volgende stap is het in kaart brengen van de motieven of drijfveren voor het huidige gedrag van je (sub)doelgroep en het in kaart brengen van wat je doelgroep belemmert of weerhoudt in het vertonen van het gewenste gedrag. Denk er ook aan dat regelgeving van de overheid belemmerend kan werken. Er zijn verschillende tools (link alleen toegankelijk vanaf een werkplek bij de Rijksoverheid) ontwikkeld die (online) beschikbaar worden gesteld om je te helpen gedragsinzichten toe te passen. Hiermee kun je (onder andere) motieven en drijfveren in kaart brengen. Daarnaast kun je gebruik maken van wetenschappelijk onderzoek, praten met kenners of interviews afnemen onder de doelgroep.

Terug naar boven

Stap 5. Ontwikkel een interventieplan

Als duidelijk is welke motieven of drijfveren een rol spelen in het (on)gewenste gedrag van je doelgroep, kun je een interventieplan opstellen. Dat is het plan waarmee je je doelgroep gaat motiveren, triggeren en het zo makkelijk mogelijk gaat maken om het gewenste gedrag te vertonen.

Eerst bepaal je op wie (of op wat) je de interventie richt. Het kan voorkomen dat je uiteindelijk een interventie ontwikkelt die zich niet op je oorspronkelijke doelgroep richt, maar op de sociale omgeving van je doelgroep. Bijvoorbeeld de doelgroep wiens gedrag je wilt veranderden zijn jongeren. Het is dan mogelijk om de interventie te richten op de jongeren, maar het zou wellicht effectiever kunnen zijn om de interventie te richten op de ouders of de school, omdat bekend is dat de sociale omgeving (in dit geval de ouders of de school) een grote invloed heeft op jongeren.

Vervolgens bepaal je welk(e) instrument(en) je gaat gebruiken in de interventie. Hierbij maak je gebruik van de werkingsmechanismen die aansluiten bij de motieven of drijfveren. Ook hier kunnen de tools [link] helpen. Het Interventiekompas helpt bijvoorbeeld om je creativiteit te stimuleren. Ook kan de lijst met instrumenten inspiratie bieden (zie voorbeelden van instrumenten voor gedragsverandering).

Bij het opstellen van een interventieplan beschrijf je, naast welke methode en instrumenten je gaat gebruiken, waarom je verwacht dat de interventie effect zal hebben, en op wie. Bedenk van tevoren ook indicatoren waarmee je gedrag gaat meten, zodat je na afloop van de interventie kan zeggen of de interventie heeft gewerkt of niet.

Keuzearchitectuur
Bij het ontwikkelen van een interventieplan is het belangrijk te beseffen dat er geen neutrale manier is om een keuze te presenteren. Besteed daarom altijd aandacht aan de manier waarop je de keuze presenteert (‘keuzearchitectuur’). Je kunt de keuzearchitectuur zo opzetten dat mensen als het ware vanzelf geleid worden richting een ‘verstandige keuze’.

Een hele lichte vorm van sturing in de keuzearchitectuur zijn labels die in één oogopslag duidelijk maken of een product geschikt is, bijvoorbeeld met kleuren. Die beïnvloeden mensen min of meer automatisch vanwege hun diep ingesleten associatie met ‘niet doen’, ‘oppassen’ of ‘veilig’.

Een krachtiger instrument is het aanpassen van de standaardoptie (default). Daarbij kun je denken aan vooraf aangevinkte opties op keuzeformulieren. Als de overheid alvast de keuze aanvinkt die voor de meeste mensen waarschijnlijk de beste is, zullen mensen die niet bereid of in staat zijn zelf een keuze te maken, deze optie krijgen toebedeeld. Nog steeds blijft de keuzevrijheid gehandhaafd, want wie dat wil, kan afwijken van de vooraf geselecteerde optie (opting-out).

Afhankelijk van hoe ingrijpend de gevolgen zijn van het maken van de verkeerde keuzes, kan het soms ook nodig zijn om bepaalde opties helemaal niet of beperkt mogelijk te maken. Ook kan gedacht worden aan geschaalde vrijheden, waarbij een bepaalde basisvoorziening verplicht is, waar bovenop vrijwillig kan worden aangevuld. Een voorbeeld hiervan is de verplichte zorgverzekering, met optionele aanvullende verzekeringen.

Zie voor meer informatie het rapport Weten is nog geen doen van de WRR, of boek ‘Nudge’ van Thaler en Sunstein.

Terug naar boven

Stap 6. Implementatie van de interventie

Alvorens de interventie breed in te zetten is het verstandig om eerst in het klein te onderzoeken in hoeverre de interventie werkt. Middels een pilot of proeftuin kan je op één of meerdere locaties op kleine schaal onderzoeken of de interventie werkt en hoe de doelgroep en andere relevante partijen de interventie ervaren. Ook kan je met behulp van een experiment  onderzoeken of de theorie/veronderstellingen waarvan uit wordt gegaan  door de resultaten wordt ondersteund.

Terug naar boven

Stap 7. Evaluatie

Een ander belangrijk onderdeel van het toepassen van gedragsinzichten is evalueren. Met een procesevaluatie krijg je zicht wat er goed loopt en wat niet en kan je nog dingen veranderen om de interventie effectiever te laten verlopen. Naast een procesevaluatie kan je ook een effectevaluatie uitvoeren. Hierbij kan je op van tevoren bedachte/ingestelde uitkomstmaten/indicatoren testen of de interventie het gedrag beïnvloed heeft. Ook kan je de doelgroep en relevante partijen interviewen hoe zij de interventie hebben ervaren.

Nadat een effectevaluatie heeft plaatsgevonden en de interventie blijvend is, kan gekozen worden voor het monitoren van de resultaten zodat je op de hoogte blijft of de interventie ook op lange termijn effectief is. Houd wel altijd rekening mee met (maatschappelijke) gebeurtenissen die eventueel de resultaten kunnen beïnvloeden. Voor meer informatie over evalueren zie 7.7 Evalueren en monitoren van beleid.

Terug naar boven

Behavioural Insights Netwerk Nederland (BIN NL)

Het Behavioural Insights Netwerk Nederland (BIN NL) is het interdepartementale netwerk voor de toepassing van gedragskennis in beleid. Zie Gedragsinzichten pagina op Rijksportaal (link alleen toegankelijk vanaf een werkplek bij de Rijksoverheid). Coördinatoren van alle elf departementen zijn lid van het netwerk. Bij de departementen vragen zij aandacht voor het toepassen van gedragsinzichten in beleid en waar nodig bieden zij begeleiding. Het BIN NL organiseert allerhande activiteiten, zoals lunchlezingen, maar eventueel op aanvraag ook workshops.

Terug naar boven

BIN NL contactpersonen

Mocht je vragen hebben over (het toepassen van) gedragsinzichten dan kan je altijd contact opnemen met de contactpersoon van het departement waar je werkzaam bent (link alleen toegankelijk vanaf een werkplek bij de Rijksoverheid).

Terug naar boven

Tools

Er zijn diverse tools beschikbaar om je te helpen gedragsinzichten toe te passen. Zie hiervoor de BIN NL publicatie Tooloverzicht (link alleen toegankelijk vanaf een werkplek bij de Rijksoverheid).

Terug naar boven

Meer informatie

Terug naar boven

Laatst gewijzigd op: 10-10-2019