Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Bestuurlijke boete

De bestuurlijke boete is een bestuursrechtelijk sanctioneringsmiddel dat zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd door een daartoe bevoegde overheidsdienst.  De boete is geregeld in titel 5.4 van de Awb. Om een boete te kunnen toepassen in een wettelijk stelsel moet de bevoegdheid een boete op te leggen en de feiten waarvoor dit gebeurt worden aangewezen in dat wettelijke stelsel.

Naast een bestuurlijke boete kan een overheidsdienst indien het daarvoor in een wet de bevoegdheid heeft gekregen een dwangsom opleggen. Het belangrijkste verschil met een bestuurlijke boete is dat een boete een straffend karakter heeft en dat een dwangsom als doel heeft toekomstige overtredingen te voorkomen.

Behalve de bestuurlijke boete zijn er nog andere sanctioneringsmiddelen beschikbaar voor de overheid. In de kabinetsnota over keuze van sanctiestelsel is een kader geschetst voor het maken van een keuze voor een of meerdere van deze sanctioneringsmiddelen bij vormgeving van een stelsel.

De bestuurlijke boete is een bestuursrechtelijk sanctioneringsmiddel dat op grond van de kabinetsnota over keuze van sanctiestelsel wordt ingezet als er sprake is van een besloten context. Dat wil zeggen dat de overheid een directe relatie heeft met de te beboeten partijen, omdat deze bijvoorbeeld vergunninghouder is of belastingplichtige of uitkeringsgerechtigde. Voor een zogenaamde ‘open context’ is het strafrecht aangewezen. Zie de kabinetsnota voor nadere nuancering van dit hier nogal grof gemaakte onderscheid.

Deze kabinetsnota uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel uit 2008 is aangevuld met het nader rapport dat is uitgebracht naar aanleiding van het spontane advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over de verhouding tussen het strafrecht en de bestuurlijke boete. De keuze voor een sanctiestelsel vereist een behoorlijke en grondige motivering in de toelichting. Indien gekozen wordt voor een stelsel met een bestuurlijke boete, dan moet in beginsel steeds worden aangesloten aan de boetemaxima van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Worden hogere boetes wenselijk geacht, dan moet die keuze op objectieve factoren berusten. Wordt gekozen voor een stelsel van duale handhaving (waarin strafrechtelijke én bestuursrechtelijke handhaving naast elkaar staan), dan mag de bestuurlijke boete in beginsel niet hoger zijn dan de maximale strafrechtelijke boete. Ook moet er afstemming tussen het OM en de betrokken bestuursrechtelijk handhavingsdienst komen over het rekwireerbeleid en het bestuurlijk handhavingsbeleid.

Over de manier waarop boetes worden vormgegeven, bijvoorbeeld in relatie tot recidive, of er een maximum boete geldt,  een vaste boete per feit of een omzetgerelateerde boete, zijn enkele aanwijzingen opgenomen in de Aanwijzingen voor de regelgeving. (zie Ar 5.40 tot en met 5.46) Het bepalen van de hoogte van de boete kan gebeuren door effectiviteit van boetehoogtes te onderzoeken en andere, vergelijkbare stelsels te bestuderen. Om hierbij te helpen is er een boetewijzer ontwikkeld. Houdt bij de in de Boetewijzer vermelde maximumbedragen in het oog dat deze sinds het verschijnen van de Boetewijzer zijn geïndexeerd. Voor de actuele bedragen moet steeds de geldende wettekst worden geraadpleegd.

Meer informatie

Laatst gewijzigd op: 27-6-2018