Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 221 (Planning)

Draaiboek voor de regelgeving

Zowel het tempo van voorbereiding van een verdrag als de inwerkingtreding daarvan zijn zaken waarin men mede afhankelijk is van de voortgang bij de overige verdragspartijen. Het maken van een planning (zie ook nr. 6) kan echter nuttig zijn. In spoedeisende gevallen kan ook worden overwogen of het te sluiten verdrag voorlopig zou kunnen worden toegepast (artikel 15 van de Rijkswet, zie ook artikel 25 van het Weens verdragenverdrag). Dat is mogelijk als de materie behoort tot datgene waartoe de regering zonder medewerking van het parlement bevoegd is. Dit geldt zelfs voor verdragen die bepalingen bevatten die een ieder kunnen verbinden in de zin van artikel 93 van de Grondwet. In dit geval dient bekendmaking plaats te vinden voor de aanvang van de voorlopige toepassing (artikel 15, derde lid, van de Rijkswet). Hiermee dient in de verdragstekst rekening te worden gehouden, bijvoorbeeld door een termijn op te nemen die ruimte laat voor de bekendmaking. Als een ieder verbindende bepalingen onverenigbaar zijn met binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften (artikel 94 van de Grondwet) kan voorlopige toepassing echter alleen plaatsvinden ten aanzien van verdragen die geen parlementaire goedkeuring behoeven of achteraf mogen worden goedgekeurd (zie de memorie van toelichting bij de Rijkswet, Kamerstukken II 1988/89, 21 214 (R1375), nr. 3, blz. 21 en bijlage III). Ten slotte kan ook overwogen worden om in bijzondere gevallen een verdrag direct in werking te stellen en de parlementaire goedkeuring achteraf te laten plaatsvinden, waarbij dan een voorbehoud gemaakt zal moeten worden van beƫindiging voor het geval de goedkeuring niet wordt gegeven (artikel 10 van de Rijkswet).

Laatst gewijzigd op: 6-9-2018