Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 257 (Procedure)

Draaiboek voor de regelgeving

In nr. 253 en nr. 255 is beschreven wanneer kan worden overgegaan tot het ’binden van het Koninkrijk' aan het verdrag in de zin van artikel 91, eerste lid, van de Grondwet. Overigens betekent het feit dat de parlementaire goedkeuring is verleend niet dat de regering daardoor verplicht is om daadwerkelijk over te gaan tot de binding van het Koninkrijk aan het goedgekeurde verdrag. Mocht de regering om haar moverende redenen willen afzien van het partij worden bij het goedgekeurde verdrag dan zal zij het parlement daaromtrent echter wel moeten informeren op grond van artikel 13, vierde lid, van de Rijkswet.

De binding aan een verdrag gebeurt door het tot uitdrukking brengen van de instemming door het verdrag gebonden te worden. Daarbij worden dan tevens eventuele voorbehouden gemaakt en verklaringen afgelegd. Een en ander wordt verzorgd door de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De instemming om gebonden te worden kan op verschillende manieren tot uitdrukking worden gebracht, bijvoorbeeld door bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, zulks afhankelijk van wat hieromtrent in het verdrag zelf is bepaald of anderszins is overeengekomen (zie de artikelen 11 tot en met 17 van het Weens verdragenverdrag). Als er verschillende mogelijkheden zijn, wordt gekozen voor de eenvoudigste daarvan. Behalve wanneer een koninklijke akte moet worden verleend (wat bijvoorbeeld nodig is als een verdrag is gesloten tussen staatshoofden, of als een verdrag als enige manier van binding voorziet in ‘bekrachtiging') gaat de desbetreffende akte uit van de Minister van Buitenlandse Zaken. Overigens wordt niet overgegaan tot de daadwerkelijke binding voordat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich ervan heeft vergewist dat er niet alsnog bezwaren bestaan tegen de binding bij de betrokken andere departementen.

Ook wordt de instemming gebonden te worden pas afgegeven wanneer vaststaat dat het Koninkrijk het desbetreffende verdrag na inwerkingtreding (zie nr. 258) ook zal kunnen nakomen. Dat wil zeggen dat vaststaat dat dan eventueel benodigde uitvoeringswetgeving van kracht zal zijn.

De instemming om gebonden te worden wordt rechtstreeks aan de verdragspartij(en) tot uitdrukking gebracht, of (als het verdrag daarin voorziet) aan de depositaris van het verdrag. Deze geeft het dan door aan de andere verdragspartijen. Het Koninkrijk als zodanig is het rechtssubject dat partij is bij verdragen. Het is echter niet nodig dat het Koninkrijk voor al zijn samenstellende delen partij wordt bij ieder verdrag. Bij het tot uitdrukking brengen van de instemming om gebonden te zijn kan worden aangegeven voor welke delen van het Koninkrijk het verdrag zal gelden. Het is mogelijk om een beperkte gelding later uit te breiden, of een gelding voor het hele Koninkrijk later te beperken (wat neerkomt op opzegging van het verdrag voor een gedeelte van het Koninkrijk).

Laatst gewijzigd op: 12-9-2018