Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 143 (De rol van de minister)

Draaiboek voor de regelgeving

Ingevolge Ar 7.24 is de meest betrokken bewindspersoon in beginsel steeds aanwezig bij de behandeling van een initiatiefvoorstel. Bij de behandeling krijgen bewindspersonen na de initiatiefnemers het woord, tenzij de Tweede Kamer anders besluit (artikel 116, derde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer).

In de praktijk geeft de bewindspersoon tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer in algemene termen het oordeel van het kabinet en brengt hij eventuele bezwaren onder de aandacht. Zij dragen er zorg voor dat zij over initiatiefvoorstellen kunnen spreken namens het kabinet. daartoe maken zij deze tijdig bij de ministerraad aanhangig. De vraag is of van de bewindspersoon bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer al een eindoordeel mag worden verwacht of de regering al dan niet zal bekrachtigen. De formele beslissing daarover valt na aanvaarding door Eerste Kamer. Over het algemeen zal hij daar terughoudend mee zijn en in ieder geval wachten tot duidelijk is hoe het voorstel er na amendering zal gaan uitzien. Indien er veel geamendeerd wordt, kan de bewindspersoon verzoeken om opschorting van de beraadslaging om het oordeel van de ministerraad te kunnen vragen. Dit oordeel is noodzakelijk op grond van artikel 4, tweede lid, onder a, onderdeel 4°, van het Reglement van orde voor de ministerraad. Een weigering om te bekrachtigen is zeer zeldzaam.

Laatst gewijzigd op: 4-9-2018