Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 131 (Ambtelijke bijstand)

Draaiboek voor de regelgeving

Het opstellen van een initiatiefvoorstel vergt wetgevingstechnische vaardigheden. In verband daarmee kunnen de Kamerleden ondersteuning van het Bureau Wetgeving krijgen. Verder is in Ar 7.23 opgenomen dat leden van de Tweede Kamer die een initiatiefvoorstel aanhangig willen maken, de betrokken bewindspersoon om bijstand kunnen verzoeken bij het formuleren daarvan. Voor het verkrijgen van bijstand is de toestemming van de bewindspersoon vereist. Dat geldt overigens ook voor het doorrekenen (door de directie FEZ) van de financiële gevolgen van een initiatiefvoorstel.

Ingevolge Ar 7.23 wordt ambtelijke bijstand zoveel mogelijk verleend. Zie ook de Handreiking ambtelijke bijstand bij initiatiefwetgeving en de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren, in het bijzonder aanwijzing 9. De bewindspersoon beslist welke ambtenaar de bijstand zal verlenen. De bewindspersoon gaat na of het initiatiefvoorstel mogelijk meerdere departementen raakt en informeert daarover die ambtsgenoten. Daarnaast betrekt hij op grond van artikel 4, tweede lid, onder a, 4 ° van het Reglement van orde van de Ministerraad, de Ministerraad bij het initiatiefvoorstel met oog op het standpunt dat in de Tweede en Eerste Kamer zal worden ingenomen ten aanzien van de bekrachtiging van het initiatiefvoorstel.

De bijstand kan beperkt blijven tot het wetgevingstechnisch toetsen van door het Kamerlid opgestelde wetteksten of de toelichting daarop, maar kan ook bestaan uit het formuleren van wetteksten. Ten aanzien van de memorie van toelichting pleegt de bijstand beperkt te zijn. In elk geval dient een wetgevingstechnische toetsing van met name de artikelsgewijze - technische - toelichting plaats te vinden.

Bij het verlenen van wetgevingstechnische bijstand worden de Aanwijzingen voor de regelgeving in acht genomen. Daarnaast verdient het aanbeveling initiatiefnemers zo nodig te wijzen op specifieke voorschriften die gelijkelijk gelden voor regeringsvoorstellen en initiatiefvoorstellen (zie ook nr. 130). Dit zijn met name het vermelden van de financiële gevolgen voor de rijksbegroting ingevolge artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016, het vermelden van financiële gevolgen voor decentrale overheden op grond van artikel 2 Financiële-verhoudingswet en eventuele notificatieverplichtingen (zie hierover nader nr. 34a en 35).

Tot slot verdient het aanbeveling reeds in deze fase van de totstandkoming van een initiatiefvoorstel aandacht te vragen voor mogelijke invoeringsproblemen, de eventueel daaruit voortvloeiende noodzakelijke nadere (uitvoerings)regelgeving, de eventueel noodzakelijke aanpassing van andere wettelijke regelingen en overgangsrecht.

Het is wenselijk dat zo mogelijk een personele scheiding wordt gemaakt tussen enerzijds advisering van het Kamerlid en anderzijds advisering van de bewindspersoon. Zie ook bij nr. 141.

Vermelding verdient nog dat de wettelijke geheimhoudingsplicht van ambtenaren ook ten opzichte van Kamerleden geldt (artikel 125a, derde lid, van de Ambtenarenwet en artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht).

Laatst gewijzigd op: 4-12-2018