Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 118 (Verloop van het voorbereidend onderzoek)

Draaiboek voor de regelgeving

Het Statuut bepaalt dat de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, voor zover de regeling voor hun land zal gelden, elk bevoegd zijn een verslag uit te brengen omtrent een voorstel van rijkswet (artikel 16 van het Statuut). Het verslag wordt door de voorzitter van de Staten van het desbetreffende land toegezonden aan de voorzitter van de Tweede Kamer en een afschrift van het verslag wordt aan de Gouverneurs en ministers-president van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gestuurd. De griffie van de Tweede Kamer zendt vervolgens een exemplaar aan de mede?ondertekenende minister(s) (artikel 112 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer).

Hoofdregel is dat met de mondelinge behandeling dient te worden gewacht tot de verslagen van de Staten van de landen overzee binnen zijn. Ingevolge artikel 16 van het Statuut is het mogelijk de Staten een termijn te stellen. Na het verstrijken daarvan kan de mondelinge behandeling plaatsvinden. Dit artikel vermeldt evenwel niet wie bevoegd is (zijn) tot het stellen van zo'n termijn. Gelet op de bedoeling van de statuutwetgever, wordt aangenomen dat doorgaans de voorzitter van de Tweede Kamer zal overgaan tot een termijnstelling, indien dit nodig wordt geoordeeld. Artikel 111 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer werkt dit uit door te bepalen dat voorstellen tot termijnstelling in een vergadering van de Tweede Kamer moeten worden gedaan door de voorzitter of door één van de leden.

Een termijnstelling kan direct bij de toezending van het voorstel geschieden, doch ook nadien. Voorts neemt men aan dat ook de Koninkrijksregering de bevoegdheid heeft een termijn te stellen. Mocht het laatste worden overwogen, dan dient daarover vooroverleg te worden gepleegd met de directie CZW van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In dat geval richt de eerstverantwoordelijke minister zich per brief (zo nodig per fax te verzenden) tot de voorzitter(s) van de Staten. Een afschrift van deze brief dient, met een aanbiedingsbrief, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer te worden gestuurd, alsmede aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De beantwoording van de verslagen van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten kan in een afzonderlijk stuk geschieden (getiteld nota naar aanleiding van het verslag van de Staten van Aruba, Curaçao, respectievelijk Sint Maarten), maar ook als onderdeel van de reguliere nota naar aanleiding van het verslag. In het laatste geval dient de benaming te worden aangepast (bijvoorbeeld nota naar aanleiding van het verslag, tevens nota naar aanleiding van het verslag van de Staten van Aruba, Curaçao, respectievelijk Sint Maarten).

Het originele exemplaar van de nota naar aanleiding van het verslag van de Staten wordt aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gezonden, aan wie de Staten hun verslag hebben gericht. Door middel van een elektronisch bericht (zie nr. 117) worden de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten door de griffie van de Tweede Kamer op deze nota geattendeerd. Omtrent de hier bedoelde nota dient in ieder geval overleg met de directie CZW en de beide Gevolmachtigde Ministers plaats te vinden. De Gevolmachtigde Ministers zenden de concept-nota en overige te wisselen schriftelijke stukken aan de ministers-president van Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor commentaar.

Ten aanzien van de inschakeling van de (kabinetten van de) Gevolmachtigde Ministers bij de opstelling van de nota naar aanleiding van het verslag van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geldt hetgeen in nr. 116 is opgemerkt over het nader rapport aan de Koning.

Laatst gewijzigd op: 29-8-2018