Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 111 (Karakter van rijkswetgeving)

Draaiboek voor de regelgeving

Een rijkswet onderscheidt zich in meer dan één opzicht van een ‘gewone' wet. De procedure voor de totstandkoming ervan omvat meer dan die van een wet. Een rijkswet kan gelden in het gehele Koninkrijk, maar de gelding kan ook beperkt zijn tot een of meer Caribische landen van het Koninkrijk. Van de bestaande rijkswetten gelden de meeste in het gehele Koninkrijk.

Indien een aangelegenheid naar zijn aard geregeld zou moeten worden in een rijkswet, maar deze niet bedoeld is om te gelden in de Caribische landen van het Koninkrijk, staat het Statuut voor het Koninkrijk uitdrukkelijk toe dat deze bij gewone wet wordt geregeld (zie hierover meer uitgebreid nr. 8).

In het beginstadium van het ontwerpen van een wet moet al bezien worden of de regeling een rijkswet zou moeten zijn. Deze vraag doet zich voor indien er koninkrijksaspecten aan verbonden kunnen zijn. Het is in dit verband nodig om in het kort stil te staan bij de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden.

Nederland en de Caribische landen van het Koninkrijk hebben vrijwillig een gezamenlijke rechtsorde aanvaard, die is neergelegd in het Statuut voor het Koninkrijk. In deze rechtsorde behartigen de tot het Koninkrijk behorende landen voor het overgrote deel zelf hun eigen aangelegenheden. Hierin zijn zij autonoom, met dien verstande dat de landen zich hebben verbonden om rekening met elkaar te houden, elkaar te helpen en te steunen, zowel ideëel als materieel. Anderzijds brengt het feit dat de landen tezamen één staatsverband vormen, met zich dat een aantal aangelegenheden vanwege het Koninkrijk als geheel moet worden behartigd. Deze koninkrijksaangelegenheden zijn in het Statuut limitatief opgesomd. Het overgrote deel van de koninkrijksaangelegenheden – waarvoor in beginsel regeling bij rijkswet is voorgeschreven (zie artikel 14 van het Statuut) – is opgesomd in artikel 3 van het Statuut. Genoemd kunnen worden de defensie, de buitenlandse betrekkingen, het Nederlanderschap, het stellen van eisen met betrekking tot de veiligheid en de navigatie van onder de vlag van het Koninkrijk varende zeeschepen, niet zijnde zeilschepen, en de uitlevering. Het is niet altijd eenvoudig om te bepalen of een bepaalde materie tot de koninkrijksaangelegenheden moet worden gerekend. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de directie CZW van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hiernaast geeft het Statuut de mogelijkheid om onderwerpen die tot de autonome sfeer van de landen behoren bij rijkswet te regelen. Dit kan in onderling overleg tussen de landen worden bepaald (artikel 38, tweede lid, van het Statuut). Dit laatste betekent dat overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen gedurende het gehele wetgevingsproces is vereist. Dergelijke wetten worden daarom aangeduid als “consensusrijkswetten”.

De procedure die moet worden gevolgd bij een voorstel van rijkswet, is neergelegd in de artikelen 15 tot en met 22 van het Statuut. De Grondwet geeft daarnaast aanvullende voorschriften, die gelden voor zowel ‘gewone’ wetten als rijkswetten (vergelijk artikel 5, eerste lid, van het Statuut). De procedure van een consensusrijkswet verschilt op een aantal punten van die van een gewone rijkswet. In de onderstaande paragrafen wordt waar nodig aangegeven welke van de procedure voor een gewone rijkswet afwijkende regels van toepassing zijn op een consensusrijkswet.

Opgemerkt wordt dat een bestaande rijkswet uitsluitend bij rijkswet kan worden gewijzigd. Daarbij moet erop worden gelet dat niet elke rijkswet als zodanig is aangeduid in de citeertitel (bijvoorbeeld de Paspoortwet). Op de website www.wetten.nl is het mogelijk om, nadat op “verfijn” is geklikt, inclusief rijksregelgeving, exclusief rijksregelgeving, of alleen in rijksregelgeving te zoeken. Hiernaast staat op wetten.nl, nadat een bepaalde wet is gevonden en op de is geklikt, bij de algemene informatie achter “soort regeling” of er sprake is van een rijkswet.

Het wijzigingen van een ‘gewone’ wet bij rijkswet behoort te worden vermeden, omdat bemoeienis van rijkswetgevingsorganen met ‘gewone’ wetten niet in de rede ligt. Wel pleegt soms een uitzondering te worden gemaakt bij geringe technische aanpassingen van Nederlandse wetten die het directe gevolg zijn van een rijkswet; deze wijzigingen worden dan meegenomen in de desbetreffende rijkswet. Een dergelijke handelwijze behoort in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd. Een bepaling uit een ‘gewone wet’ die via een rijkswet is gewijzigd of tot stand is gebracht krijgt niet automatisch de status van rijkswet; de desbetreffende bepaling kan dus later worden gewijzigd bij ‘gewone wet’.

Voorts moet bij een ingrijpende wijziging of vervanging van een rijkswet steeds worden bezien of kan worden volstaan met het (in de kern) regelen van de hoofdzaken van de materie, met delegatie (opdracht tot nadere regelgeving of opdracht tot regeling van bepaalde onderdelen) aan de wetgever of de regering van de landen. Artikel 14, eerste lid, tweede volzin, van het Statuut biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid. Als voorbeelden van deze vormen van delegatie kunnen respectievelijk worden genoemd de Rijkswet van 14 april 1988, Stb. 212, houdende wijziging van de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen en Aruba en de Rijkswet van 26 september 1991, Stb. 498, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet). Het spreekt vanzelf dat omtrent het maken van deze keuze in een vroegtijdig stadium overleg wordt gevoerd met de Caribische landen van het Koninkrijk. Door de klikken op bijgaande link komt u bij een overzicht van te doorlopen stappen bij de totstandkoming van een rijkswet. Bij het maken van voorstellen van rijkswet moet naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 2 (wetten) worden geraadpleegd. In het onderstaande zijn voor iedere fase de verschillen met de in hoofdstuk 2 beschreven procedure aangegeven. Voor zover niets bijzonders is geregeld voor rijksregelgeving kan er dus van uitgegaan worden dat hetgeen ingevolge hoofdstuk 2 voor niet-rijksregelgeving geldt, ook voor rijksregelgeving van toepassing is. Ten slotte wordt opgemerkt dat in de Aanwijzingen voor de regelgeving rekening is gehouden met de aanpassingen van de verschillende teksten, die nodig zijn indien het gaat om een rijkswet, een algemene maatregel van rijksbestuur of een klein koninklijk rijksbesluit (Ar 4.5 e.v., 4.31 e.v., 6.22 e.v. en 8.12).

Laatst gewijzigd op: 29-8-2018