Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Nr. 8 (Koninkrijksaspecten)

Draaiboek voor de regelgeving

Aan het begin van het wetgevingstraject dient te worden bezien of het onderwerp dat wettelijke regeling behoeft, behoort tot de aangelegenheden van het Koninkrijk of tot die van het land Nederland. Op de vraag wat tot de koninkrijksaangelegenheden moet worden gerekend, wordt ingegaan in nr. 111. Artikel 14, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut) geeft als hoofdregel dat koninkrijksaangelegenheden bij rijkswet of bij algemene maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld. Artikel 14, derde lid, van het Statuut geeft echter uitdrukkelijk de mogelijkheid om regels betreffende koninkrijksaangelegenheden die alleen in Nederland gelden, vast te stellen via een ‘gewone' wet of algemene maatregel van bestuur. Het kan wel zijn dat de materie of de werking van de regeling niettemin een of meer overzeese landen raakt. Zo nodig wordt daarover vooroverleg gevoerd met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers van de landen in Den Haag en met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de artikelen 10 en 11 van het Statuut volgt dat in het geval betrokkenheid van de overzeese landen gewenst is, het desbetreffende wetsvoorstel in de rijksministerraad moet worden behandeld. Het laatste betekent dat in de procedure en in de tijdsplanning rekening moet worden gehouden met het voeren van overleg met de overzeese landen, alvorens een wetsvoorstel aan de rijksministerraad ter behandeling kan worden aangeboden (zie verder nr. 114 en 115).

Ook onderwerpen die tot de autonome sfeer van de landen behoren, kunnen bij rijkswet (of bij algemene maatregel van rijksbestuur) worden geregeld, indien Nederland en (een van) de Caribische landen dat in onderling overleg bepalen (artikel 38, tweede lid, van het Statuut). Omdat uit de aard en achtergrond van deze procedure voortvloeit dat gedurende het gehele wetgevingsproces overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen moet bestaan, worden dergelijke wetten aangeduid als ‘consensusrijkswetten’.

In hoofdstuk 3 wordt uitgebreider ingegaan op de bijzondere aspecten van rijkswetten en de procedure van totstandkoming daarvan.

Artikel 37 van het Statuut bepaalt dat de landen zoveel mogelijk overleg plegen over aangelegenheden – bedoeld worden de aangelegenheden die geen koninkrijkszaak zijn – waarbij de belangen van een of meer der andere landen zijn betrokken. Deze verplichting strekt zich ook uit tot voorgenomen wetgeving.

Daarnaast moet worden gewezen op het in artikel 39 van het Statuut neergelegde concordantiebeginsel. Hieruit volgt dat een aantal voor het rechtsbestel fundamentele onderwerpen in de landen van het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze worden geregeld. Deze onderwerpen zijn: het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt en bepalingen omtrent maten en gewichten. Het tweede lid van artikel 39 van het Statuut bevat een bijzondere procedure bij ingrijpende wijziging van de bestaande wetgeving op bovengenoemde terreinen. Voor Nederlandse wetgeving betekent dit dat voordat een wetsvoorstel terzake bij de Tweede Kamer wordt ingediend, de regeringen in de Caribische landen van het Koninkrijk in de gelegenheid moeten zijn gesteld hun zienswijze hierover naar voren te brengen. Ook omgekeerd geldt deze verplichting.

In interdepartementaal verband is afgesproken dat aan artikel 39 van het Statuut praktische uitvoering wordt gegeven door in geval van voorgenomen wijzigingen in de wetgeving op de in dat artikel genoemde rechtsgebieden de startnotities via
de elektronische postbussen rijksregelgeving wederzijds ter kennis te brengen van de betrokken wetgevingsafdelingen van de Caribische landen van het Koninkrijk.

In iedere startnotitie, waartoe in beginsel elk land het initiatief kan nemen, wordt door de opsteller in een apart blok aangegeven of het wetgeving betreft op de rechtsgebieden genoemd in artikel 39 van het Statuut. Bovendien wordt aangevinkt of sprake is van een ‘ingrijpende wijziging’ als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het Statuut. Indien de voor de startnotitie verantwoordelijke wetgevingsafdeling van mening is dat er geen sprake is van een “ingrijpende wijziging” maar de betrokken wetgevingsafdeling van een ander land kenbaar maakt dat daar naar haar oordeel wel sprake van is, dan treedt de opsteller van de startnotitie in overleg met de betrokken wetgevingsafdeling ten einde tot een eensluidend oordeel te komen.

Indien niet binnen redelijke termijn tot een eensluidend oordeel wordt gekomen, moet de kwestie ter besluitvorming voorgelegd aan de voor het algemeen wetgevingsbeleid verantwoordelijke ministers van de betrokken landen. Indien is vastgesteld dat sprake is van een ‘ingrijpende wijziging’, worden de regeringen in de andere landen (cf. artikel 39, tweede lid, Statuut) in de gelegenheid gesteld, binnen een bepaalde termijn, hun zienswijze over het voorstel tot wetswijziging naar voren te brengen. Het moment waarop dit in Nederland plaatsvindt, is uiterlijk gelijktijdig met het voorleggen van het wetsvoorstel aan de Sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid (JZW) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten behoeve van de wetgevingstoets. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zal dienen te blijken op welke wijze afstemming heeft plaatsgevonden tussen de betrokken wetgevingsafdelingen.

In het standaard aanbiedingsformulier voor de ambtelijke voorportalen, onderraden en de (rijks)ministerraad dient te worden aangegeven of er vooroverleg is geweest tussen de landen van het Koninkrijk. Zoals hierboven al is aangegeven, is dit vooroverleg verplicht bij alle koninkrijksaangelegenheden en ook bij landsaangelegenheden indien de artikelen 38 of 39 van het Statuut van toepassing zijn.

NB: Bedenk bij direct contact dat het daar vijf of (in onze zomertijd) zes uur vroeger is; bel dus niet voor 14.00 (of 15.00) uur.

Laatst gewijzigd op: 22-8-2018