Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

2.7 Betrekken andere partijen

Draaiboek voor de regelgeving

Bij de ambtelijke bijstand kan het wenselijk zijn andere partijen te betrekken. Met name voor het opstellen van het algemeen deel van de toelichting is feitelijke informatie nodig waarover allerlei partijen binnen en buiten het departement beschikken. De behandelend ambtenaar adviseert de initiatiefnemer hierover en vraagt zijn instemming om bepaalde partijen te betrekken. Bij deze contacten benadrukt de behandelend ambtenaar telkens het vertrouwelijke karakter van het voorstel.

Als een initiatiefnemer geen instemming geeft om bepaalde partijen te betrekken, wijst de behandelend ambtenaar hem erop dat een adequate ondersteuning in dat geval niet mogelijk is of wezenlijke beperkingen kent. De initiatiefnemer wordt er verder zo nodig aan herinnerd dat de gevolgen van een initiatiefvoorstel onder meer worden meegewogen bij het kabinetsstandpunt (zie ook paragraaf 3).

Informatieverzameling binnen het departement

In het kader van het verstrekken van feitelijke informatie kan informatie beschikbaar zijn in het eigen departement. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om informatie over de uitvoerbaarheid en de financiële aspecten van het initiatiefvoorstel of informatie over lopende beleidstrajecten. De behandelend ambtenaar doet hierover met instemming van de initiatiefnemer navraag bij de verantwoordelijke beleidsdirectie en de directie Financieel-Economische Zaken.

Bij het bepalen van de passende mate van informatieverstrekking vanuit het departement is van belang dat bij de mondelinge behandeling van een initiatiefvoorstel de bewindspersoon optreedt als adviseur van de Kamer en ook een kabinetsstandpunt moet worden voorbereid (zie paragraaf 3). Praktisch betekent dit dat hoe meer feitelijke informatie in het kader van de ambtelijke bijstand bij het initiatiefvoorstel wordt verzameld, hoe minder later (en dan vaak met minder tijd) bij de ambtelijke ondersteuning vanuit het departement van de bewindspersoon hoeft te worden gedaan. Als de informatie vroeg beschikbaar is voor de initiatiefnemer, kan hij deze informatie bovendien al tijdig betrekken bij de uitwerking van het initiatiefvoorstel.

In het uitzonderlijke geval dat de initiatiefnemer niet instemt met het betrekken van andere directies, wijst de behandelend ambtenaar hem op de mogelijke consequenties, bijvoorbeeld voor het kabinetsstandpunt en de besluitvorming over de bekrachtiging.

Zodra het wetsvoorstel aanhangig wordt gemaakt bij de Tweede Kamer en dus openbaar is, attendeert de behandelend ambtenaar de verantwoordelijke beleidsdirectie zo nodig op het initiatiefvoorstel. Indien vanwege het ontbreken van de instemming van de initiatiefnemer voor een eerdere informatievergaring de nodige feitelijke informatie niet eerder is verstrekt, kan deze informatie alsnog via de behandelend ambtenaar worden doorgegeven aan de initiatiefnemer. De initiatiefnemer heeft de mogelijkheid om bij de reactie op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State een gewijzigd voorstel van wet of een gewijzigde memorie van toelichting in te dienen dan wel een nota van wijziging op het aanhangig gemaakte wetsvoorstel en een aanvullende brief bij aanpassingen in de memorie van toelichting (zie ook paragraaf 2.8). Hierbij kan hij ook eventuele aanvullende informatie vanuit het departement betrekken. Het is uiteraard aan de initiatiefnemer om te bepalen wat hij met de verstrekte informatie doet.

Indien hierover niet al in een eerdere fase overleg is gevoerd zal de eerstverantwoordelijke bewindspersoon de initiatiefnemer informeren over de vraag of voorzien is in budgettaire dekking van het initiatiefvoorstel, en zo niet, op welke wijze daarin voorzien kan worden. Het gaat om dekking van zowel de structurele uitgaven die het voorstel met zich meebrengt, als eventuele incidentele uitgaven van maatregelen die nodig zijn ter voorbereiding van de inwerkingtreding.

Informatieverzameling bij uitvoeringsorganisaties

Bij het in kaart brengen van de gevolgen voor de uitvoering kan een uitvoeringstoets door een uitvoeringsorganisatie zijn aangewezen. Als het gaat om de gevolgen voor de uitvoering van instanties die onder de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon vallen, neemt de behandelend ambtenaar na instemming van de initiatiefnemer contact op met de verantwoordelijke beleidsdirectie. De behandelend ambtenaar doet met instemming van de initiatiefnemer navraag bij instanties die onder de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon vallen over de uitvoerbaarheid van het initiatiefvoorstel. Contacten met medewerkers van deze instanties verlopen bij voorkeur via de behandelend ambtenaar.

De initiatiefnemer benadert voor het verkrijgen van feitelijke informatie met betrekking tot de uitvoering van het initiatiefvoorstel zelf zelfstandige bestuursorganen. Hiervoor is geen voorafgaande toestemming van de eerstverantwoordelijke bewindspersoon vereist. In verband met de ministeriële verantwoordelijkheid hecht het kabinet er wel aan dat de betrokken bewindspersoon vooraf, of tegelijk met het zelfstandige bestuursorgaan, wordt geïnformeerd.[1] Bij bepaalde zelfstandige bestuursorganen kan het wenselijk zijn dat de bewindspersoon met het zelfstandige bestuursorgaan en zo nodig met de Kamer in overleg treedt over de modaliteit van informatieverstrekking, gegeven ieders verantwoordelijkheid.[2] De behandelend ambtenaar adviseert de initiatiefnemer hoe contacten kunnen worden gelegd en faciliteert hem daarbij.

Advisering door andere departementen

De behandelend ambtenaar betrekt met instemming van de initiatiefnemer zo nodig andere departementen. Bij het in beeld brengen van de financiële gevolgen kunnen bijvoorbeeld zo nodig via de directie Financieel-Economische Zaken ambtenaren van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden betrokken. De behandelend ambtenaar stimuleert en faciliteert verder de interdepartementale afstemming, maar stelt zich tegenover het andere departement niet op als een vooruitgeschoven post van of onderhandelaar voor de initiatiefnemer. De ambtelijke bijstand strekt zich verder niet uit tot het instellen en/of coördineren van een interdepartementale werkgroep.

De eerstverantwoordelijke bewindspersoon is niet verantwoordelijk voor de omvang en inhoud van de medewerking die door het andere departement wordt verleend. Als het aangewezen is dat de gevraagde inzet de vorm aanneemt van meeschrijven, informeert de behandelend ambtenaar de initiatiefnemer dat hij hiervoor een afzonderlijk verzoek om ambtelijke bijstand kan doen aan de andere verantwoordelijke bewindspersoon.

Advisering door externe instanties

Het is in beginsel aan de initiatiefnemer om te bepalen aan welke instanties door hem advies wordt gevraagd over het initiatiefvoorstel. Dit geldt niet bij wettelijke adviesverplichtingen. Er gelden (onder meer) adviesverplichtingen bij de advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State (zie paragraaf 2.8) en bij het advies dat moet worden uitgebracht door de Autoriteit persoonsgegevens, indien het voorstel geheel of voor een belangrijk deel betrekking heeft op verwerking van persoonsgegevens (artikel 36, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming).[3] In sommige gevallen bestaan adviestaken voor instanties, zoals die van de Raad voor de rechtspraak om de regering en Staten-Generaal te adviseren over algemeen verbindende voorschriften op het terrein van de rechtspleging (artikel 95 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Het kan ook in de rede liggen om de BES-eilanden te consulteren als het initiatiefvoorstel gevolgen heeft voor de BES-eilanden.[4] De behandelend ambtenaar verstrekt zo nodig informatie over de te volgen procedures.[5]

Artikel 17 van de Kaderwet adviescolleges kent alleen aan de Tweede Kamer als geheel de bevoegdheid toe advies te vragen aan adviescolleges die onder deze wet vallen en niet aan individuele Kamerleden. Het ligt voor de hand dat adviezen aan adviescolleges, die onder het bereik van deze wet vallen, daarom pas worden gevraagd als het initiatiefvoorstel bij de Tweede Kamer aanhangig is gemaakt. Dit kan leiden tot vertraging in het wetstraject.

Bij instanties die niet onder het bereik van de Kaderwet adviescolleges vallen (bijv. de VNG, de Consumentenbond en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak) wordt de initiatiefnemer geadviseerd zelf in een vroeg stadium in contact te treden met die instantie en zijn voorstel in een eerder stadium in concept voor te leggen. Dit kan gelijktijdig met een eventuele internetconsultatie plaatsvinden. De uitkomsten van deze consultatie kunnen dan worden verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting voordat deze aanhangig wordt gemaakt.

Internetconsultatie

De initiatiefnemer kan besluiten een internetconsultatie over een conceptvoorstel te houden. De behandelend ambtenaar attendeert hem hierop. Bureau Wetgeving verzorgt de technische ondersteuning van internetconsultaties bij initiatiefvoorstellen.

Rijksbrede wetgevingstoetsing

Regeringsvoorstellen moeten voorafgaand aan indiening daarvan bij de Tweede Kamer worden voorgelegd voor een formele toetsing van de aspecten van rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit door de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid (JZW) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (rijksbrede wetgevingstoetsing). Deze verplichting geldt niet voor initiatiefvoorstellen. De behandelend ambtenaar attendeert de initiatiefnemer wel op de mogelijkheid van een informele wetgevingstoetsing en/of advisering door JZW.

Notificatieverplichtingen

De behandelend ambtenaar kan zo nodig ook informatie geven aan de initiatiefnemer over notificatieprocedures. Hierbij kan worden gedacht aan notificatieverplichtingen aan de Europese Commissie, de Wereldhandelsorganisatie of een ander internationaalrechtelijk orgaan.[6] Hij kan daarbij melden dat de regering het initiatiefvoorstel na het aanhangig maken mogelijk zal notificeren (zie ook Ar 7.7 en Draaiboek nr. 132 en 34a).

 

Voetnoten

[1] Zie Kamerstukken I 2014/15, C, U en de Leidraad voor de toepassing van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren bij functionele contacten met de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2006/07, 29283, nr. 46).
[2] Bewindspersonen en zbo-bestuurders hebben in relatie tot een zbo onderscheiden verantwoordelijkheden. In concrete gevallen kan het lastig zijn de scheidslijnen tussen de verantwoordelijkheid van bewindspersoon en die van zbo(-bestuurder) goed te trekken. Zie Kamerstukken I 2014/15, C, U.
[3] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119).
[4] Vergelijk de verplichting van de verantwoordelijke minister om op grond van de artikelen 207 en 208 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba desgevraagd mededeling te doen van zijn standpunten en voornemens met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet en desgevraagd hierover ook in overleg te treden. Het zo nodig consulteren van de BES-eilanden is ook een aandachtspunt voor de Afdeling advisering van de Raad van State.
[5] Bureau wetgeving is het algemene aanspreekpunt voor procedures. Zie paragraaf 2.3.
[6] De Afdeling advisering van de Raad van State let ook bij initiatiefvoorstellen op notificatieverplichtingen. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2014/15, 33703, nr. 4.

Laatst gewijzigd op: 4-12-2018