Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.6.4 Openbaarheid

Handleiding Wetgeving en Europa

Het verdient aanbeveling om in het geval van een inbreukprocedure wegens te late implementatie bruikbaar materiaal dat er al ligt (bijvoorbeeld ontwerpregelgeving in een enigszins gevorderd stadium van de Nederlandse wetgevingsprocedure) alvast voor te leggen aan de Europese Commissie door bijvoorbeeld een en ander mee te sturen in de schriftelijke reactie op de ingebrekestelling. Een punt van aandacht is het al dan niet openbaar zijn van de stukken.

Zoals al aan de orde gekomen is het starten van een inbreukprocedure (inclusief alle bijbehorende stappen) voor de Europese Commissie een ‘kan-bevoegdheid’. In verband met de beperkte capaciteit van de juridische dienst van de Europese Commissie stelt zij prioriteiten in het kader van de inbreukprocedure (zie ook hierna de zogenoemde ‘prioritaire inbreuken’ die de Europese Commissie heeft bepaald in haar mededeling ‘A Europe of results’) en maakt zij een selectie welke zaken wel en welke niet voortvarend worden aangepakt.  Het kan daarom in het geval van niet-tijdige implementatie helpen om voorafgaand of tijdens de inbreukprocedure te laten zien wat er al gedaan is door Nederland. Zo kan het nuttig zijn ontwerpregelgeving in een enigszins gevorderd stadium van de Nederlandse wetgevingsprocedure alvast op te sturen naar de Europese Commissie, ook als deze regelgeving nog ter advisering bij de Raad van State ligt. Hierbij is wel het gegeven dat het om nog niet openbare stukken gaat een punt van aandacht. Omdat het hier verkeer tussen overheden betreft is er geen sprake van een openbaarmaking in de zin van artikel 25a van de Wet op de Raad van State en vormen de voorschriften van dit artikel dus geen belemmering de ontwerpregelgeving alvast naar Brussel te sturen. Als de Europese Commissie eenmaal in het bezit is van de ontwerpregelgeving kan publicatie ‘naar buiten’ echter wel eventueel op de loer liggen: op grond van de zogenoemde ‘Eurowob’ (Verordening nr. 1049/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PbEG L 145/43) dienen instellingen van de Europese Unie aan wie toegang wordt gevraagd tot documenten die zij onder zich hebben (afkomstig van bijvoorbeeld een lidstaat) belanghebbenden (zoals de lidstaat) om toestemming te vragen. Echter, als deze toestemming niet wordt gegeven kan eventueel alsnog toegang worden verleend als men in Brussel op basis van (toetsing aan de weigeringsgronden van) de Eurowob het belang van openbaarmaking zwaarder vindt wegen dan het belang van – in dit geval – de lidstaat bij niet openbaarmaking. Kortom, bij niet openbare Nederlandse stukken verdient het aanbeveling om, bij de overweging deze stukken al dan niet naar de Europese Commissie te sturen, een Eurowob expert te raadplegen.

In de recente uitspraak van het Hof in de zaak C-213/15p oordeelt het Hof dat burgers processtukken van lidstaten niet kunnen opvragen bij het EU-Hof. Maar als de Europese Commissie de stukken van het EU-Hof heeft gekregen, mag de Commissie ze in beginsel openbaar maken als burgers daarom verzoeken. Wel kan de Commissie vrijgave weigeren zo lang de procedure nog loopt. Zie verder het nieuwsbericht over deze zaak op de ECER-site.

Overigens publiceert de Commissie wel alle besluiten omtrent inbreukzaken op haar site, waardoor deze openbaar zijn.

Meer informatie

  • Over inbreukzaken:
  • Over de ICER-H:
  • Over de vertrouwelijkheid van de EU PILOT en inbreukprocedures: ICER-notitie - Toegang tot documenten in lopende (pre-) infractieprocedures