Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.6.3 Nederlandse coördinatie door BZ

Handleiding Wetgeving en Europa

Tijdens de rechterlijke fase treedt de afdeling Europees recht van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ/DJZ/ER) op als ‘agent’, dat wil zeggen als vertegenwoordiger van de lidstaat Nederland voor het Hof van Justitie. In de ICER-notitie ‘Nederlandse betrokkenheid bij communautaire rechtspraak’ ICER 2002/97 staat uitgelegd hoe dit in zijn werk gaat.

Over de wijze waarop (inter)departementaal wordt omgegaan met inbreukzaken in de administratieve fase zijn eveneens ICER-afspraken gemaakt (ICER-notitie ‘Rol BZ/DJZ/ER in infractieprocedures’ ICER 2008-06-7). Deze afspraken gaan uit van een eerste verantwoordelijkheid voor het betrokken departement zelf en het ICER-H-lid van dat departement. De afspraken houden het volgende in:

  • Het ICER-H-lid of een collega-expert op Europeesrechtelijk terrein op het eerstverantwoordelijke departement heeft een coördinerende rol bij het beantwoorden van brieven aan de Europese Commissie (met name aan de orde bij juridisch complexe dossiers).
  • Waar niet wordt voorzien in betrokkenheid van een eigen departementaal expert, wordt de afdeling Europees recht van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ/DJZ/ER) ingeschakeld alvorens tot het verzenden van een beantwoordingsbrief wordt overgegaan.
  • Inbreukprocedures die naar de mening van het verantwoordelijke departement van principiële aard zijn, of geschillen waarin een horizontaal onderwerp aan de orde is en meerdere departementen belangen hebben, zullen door de departementen onder de aandacht van BZ/DJZ/ER worden gebracht.

Daarnaast kan de betrokkenheid van de PVEU toegevoegde waarde hebben op adviserend vlak, zowel inhoudelijk als strategisch. Het komt voor dat er voorafgaand aan een officiële ingebrekestelling eerst contact is tussen de Europese Commissie en nationale ambtenaren, dikwijls met medewerking van vertegenwoordigers van de PVEU. Op deze manier kan soms bewerkstelligd worden dat een inbreukprocedure niet gestart wordt omdat de lidstaat bijvoorbeeld kan uitleggen dat implementatieregelgeving bijna klaar is etc. Daarnaast is in ICER-verband in het kader van zaken van principiële aard (zie derde bullet onder het vorige blokje) ook nog afgesproken dat wanneer de PVEU op de hoogte raakt van dergelijke inbreuken, zij BZ/DJZ/ER hierover zal informeren.