Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.4.3.b Advisering zoveel mogelijk in onderhandelingsfase in plaats van tijdens implementatie

Handleiding Wetgeving en Europa

Met het oog op het bevorderen van de kwaliteit van Europese regelgeving en met het oog op het vooruitlopen op de implementatie ervan schrijft Aanwijzing 9.16 raadpleging voor van adviescolleges en representatieve organisaties over voorstellen van Europese regelgeving, in het geval dit nuttig is. De gedachte is dat in de onderhandelingsfase over voorstellen voor Europese regelgeving dergelijke adviezen zinnig zijn ter bepaling van het Nederlandse standpunt.

Voorbeeld
Een voorbeeld waarbij een verordening werd geconsulteerd betreft COM (2016), nr. 594, een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s (zie:
https://www.internetconsultatie.nl/modernisering_eu_auteursrecht_online_omroep/details
Daarbij werd aangegeven dat de reacties van belanghebbenden zullen in overweging worden genomen bij het bepalen van het definitieve standpunt van Nederland in deze onderhandelingen.

Als tegenhanger van deze ‘consultatieaanwijzing’ in de voorfase is een speciale procedurele voorziening ingevoerd om de implementatie van Europese regelgeving in Nederland zo min mogelijk onnodig vertraging te laten oplopen. Deze aanwijzing bepaalt namelijk tevens dat over ontwerpimplementatieregelingen juist geen advies wordt ingewonnen. Op grond van titel 1.2 van de Algemene wet bestuursrecht gelden in het geval van implementatie in beginsel geen advies-, overleg-, inspraak-, en voorpublicatieverplichtingen. Voor het horen van de Afdeling advisering van de Raad van State, voorhangprocedures bij de Kamers en 21.6, zesde lid van de Wet milieubeheer gelden deze uitzonderingen ingevolge de betreffende titel van de Awb niet. Daar staat tegenover dat ingevolge de afdelingen 3.2 en 3.3 de afweging tot het vragen van advies anders kan uitvallen.

Aanwijzing 9.16 geeft dan ook in de toelichting aan:
Vanwege het risico op vertraging in de implementatie bestaat voor een afwijking van het beginsel om geen advies te vragen of extern overleg te voeren over implementatieregelingen slechts reden als het vragen van advies of voeren van overleg noodzakelijk is voor een zorgvuldige voorbereiding van de regeling. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling wezenlijke beleidskeuzen openlaat, die nog niet in een eerdere fase bij advisering of overleg aan de orde zijn geweest.

Voor wat betreft de advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State zijn de uitganspunten die het kabinet in 1991 naar de Tweede Kamer communiceerde rondom de advisering over implementatiewet- en regelgeving door de Raad van State (Kamerstukken II, 1991/1992, 22 008, nr. 5) nog steeds van belang. De genoemde uitgangspunten zijn de volgende:

  • Over alle implementatievoorstellen dient aan de Afdeling advisering van de Raad van State advies te worden gevraagd volgens de normale regels zoals deze gelden in het geval van autonome (puur nationale) wetgeving (zie ‘Draaiboek voor de regelgeving’);
  • Ingeval van strakke implementatietermijnen kan de Raad om een spoedadvies worden verzocht. Een dergelijk advies moet goed worden gemotiveerd (het feit dat een departement te laat is gestart met implementatie, is geen argument voor een spoedadvies) en het gaat echt om uitzonderingsgevallen;
  • Om tijdige implementatie van Europese regelgeving te bevorderen is het vaste praktijk dat de Raad met het oog op een snellere advisering bij het ontbreken van een transponeringstabel een departement verzoekt deze alsnog aan te leveren;
  • Verder heeft de Raad van State (kamerstukken II 1998/1999, 26 200 nr. VI, B en Kamerstukken I 2004/2005, 29 200 nr. VI, F) aangegeven het van belang te achten dat bij de voorbereiding van Europese regelgeving het parlement, het maatschappelijk middenveld en decentrale overheden tijdig betrokken worden. Op deze manier kunnen eventuele implementatieproblemen in een vroegtijdig stadium worden onderkend en kan hiermee rekening worden gehouden in de onderhandelingen in Brussel, hetgeen ook de behandeling van implementatievoorstellen in de latere fase van de wetgevingsketen zal vergemakkelijken.