Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.3.9 Protocol rol nationale parlementen en protocol toepassing subsidiariteit en evenredigheid

Handleiding Wetgeving en Europa

Het Verdrag van Lissabon introduceerde een nieuw fenomeen in het wetgevingsproces in Brussel, namelijk een directe rol voor de nationale parlementen van de lidstaten van de Europese Unie. Deze komt bovenop hun indirecte rol in de Brusselse besluitvorming, namelijk die via de eigen lidstaat (door middel van controle op de regering die in de Raad vertegenwoordigd is).

Het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie voorzag reeds in informatievoorziening over Europese regelgeving in wording richting de nationale parlementen. Met het Verdrag van Lissabon krijgt deze informatievoorziening een expliciete basis in het nieuwe EU-Verdrag en wordt het een onderdeel van de eveneens expliciet in het nieuwe EU-Verdrag opgenomen taak voor nationale parlementen om actief bij te dragen aan het goed functioneren van de Europese Unie.
‘Protocol 1 betreffende de rol van nationale parlementen in de EU’ ziet op de informatievoorziening aan nationale parlementen en de samenwerking tussen de parlementen. ‘Protocol 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid ‘ziet op de mogelijkheid om voorstellen voor EU-regelgeving die niet stroken met het subsidiariteitsbeginsel aan de kaak te stellen bij de Commissie en de andere wetgevende  instellingen.

Artikel 12 VEU bepaalt namelijk dat de nationale parlementen erop toezien dat het beginsel van subsidiariteit wordt geëerbiedigd overeenkomstig de procedures bedoeld in het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Het gaat hier om een nieuwe versie van een reeds bestaand protocol dat net als het hiervoor genoemde Protocol over de rol van nationale parlementen gehecht was aan het Verdrag van Amsterdam.

Artikel 6 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bepaalt dat ieder nationaal parlement en iedere kamer van één van die parlementen aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie een gemotiveerd advies kan toezenden waarin uiteengezet wordt waarom het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Dergelijke gemotiveerde adviezen kunnen binnen acht weken na toezending van het wetsvoorstel aan de nationale parlementen worden ingediend. Artikel 7 lid 1 gaat over wat de wetgevende instellingen van de Europese Unie met dit advies moeten doen en bepaalt dat met een dergelijk advies rekening moet worden gehouden.

In artikel 7, lid 2 en 3 kunnen de gele en oranje kaart procedures gevonden worden. Er is onderscheid gemaakt tussen wetsvoorstellen die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden behandeld en wetsvoorstellen waarvoor de gewone wetgevingsprocedure geldt.

Voor wetsvoorstellen in een bijzondere wetgevingsprocedure geldt dat een zogenoemde gele kaart getrokken kan worden. Dat houdt in dat de initiatiefnemer(s) van het voorstel het voorstel moet(en) heroverwegen en vervolgens gemotiveerd moet besluiten het voorstel te handhaven, te wijzigen of in te trekken (zie artikel 7 lid 2). Deze gele kaart kan getrokken worden in het geval ten minste tweederde van de nationale parlementen van mening is dat het betreffende wetsvoorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Gaat het om een ontwerpbesluit op grond van artikel 68 VWEU (justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking) dan geldt een drempel van een vierde van de nationale parlementen.

In het geval van wetsvoorstellen in de gewone wetgevingsprocedure kan er eventueel een oranje kaart (artikel 7, lid 3) getrokken worden: de Europese Commissie moet dan haar voorstel heroverwegen, waarna zij kan besluiten het te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Indien zij besluit het te handhaven, moet zij in een gemotiveerd advies verantwoorden waarom het voorstel strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Het gemotiveerde advies moet ter overweging worden gelegd aan de wetgever van de Unie, dat wil zeggen, het Europees Parlement en de Raad. Deze beide instellingen nemen het advies in ieder geval in overweging mee alvorens zij hun eerste lezing afsluiten. Indien ofwel 55 % van de Raad ofwel een meerderheid van de stemmende leden van het Europees Parlement van oordeel zijn dat het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, wordt het wetgevingsvoorstel niet verder in beschouwing genomen.