Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.3.11.f Geannoteerde Raadsagenda’s

Handleiding Wetgeving en Europa

Van bijeenkomsten van de Raad van Ministers wordt door de regering vooraf aan het parlement een geannoteerde agenda verstuurd. Het parlement kan naar aanleiding daarvan overleg voeren met de bewindspersonen die naar Brussel zullen gaan. In het geval van de voorbereiding van de JBZ-Raad is de tijdige verspreiding van de geannoteerde Raadsagenda van groot belang in verband met het instemmingsrecht van het parlement ten aanzien van besluitvorming in de JBZ-Raad. De Staten-Generaal hebben een termijn van vijftien dagen waarbinnen de Kamers de wens kunnen uiten uitdrukkelijk in te stemmen met het ingediende ontwerpbesluit. Wordt de wens tot uitdrukkelijke instemming niet binnen deze termijn kenbaar gemaakt, dan worden de Staten-Generaal geacht met het ontwerpbesluit in te stemmen (artikel 3 van de goedkeuringswetten, bijvoorbeeld die van het Verdrag van Maastricht).

Eén en ander verloopt als volgt: de geannoteerde agenda van de op handen zijnde JBZ-Raad wordt door de regering aan de beide Kamers gestuurd, inclusief de daarbij behorende stukken. Deze toezending gebeurt in beginsel uiterlijk vijftien dagen voorafgaand aan de bijeenkomst van de JBZ-Raad. De correspondentie tussen de regering en de beide kamers aangaande JBZ besluiten worden altijd onder Kamerstuknummer 23 490 gepubliceerd. Daags voor de JBZ-Raad zal de vaste Tweede Kamer commissie voor JBZ-aangelegenheden in een algemeen overleg met de ministers over de tijdens de JBZ-Raad voorliggende ontwerpbesluiten van gedachten wisselen. Daarnaast wordt het algemeen overleg door de Kamer ook gebruikt om andere, niet tijdens de JBZ-Raad voorliggende onderwerpen met de bewindslieden te bespreken. In de Eerste Kamer is er een bijzondere commissie voor de JBZ-Raad die de stukken behandelt. 

Als de commissies van oordeel zijn dat zij geen instemming aan een besluit kunnen verlenen of een breder debat over het desbetreffende onderwerp wenselijk achten, stellen zij de voorzitter van hun Kamer daarvan op de hoogte. Deze dient dan in de plenaire vergadering het voorstel in dat het ontwerpbesluit de uitdrukkelijke instemming van de Staten-Generaal behoeft. Indien deze instemming niet is verleend voorafgaand aan de JBZ-Raadsvergadering waarin het ontwerpbesluit behandeld wordt, moet in de JBZ-Raad een parlementair voorbehoud worden gemaakt (zie onder “3. Procedures/3.7b parlementair voorbehoud JBZ-terrein”).