Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.3.10.a Coördinerende rol BZ

Handleiding Wetgeving en Europa

Elke lidstaat heeft in het kader van de nationale coördinatie van EU-beleid zo zijn eigen methoden, die vaak sterk afhangen van de algemene staatsinrichting en bestuurscultuur in een land. In Nederland is de algemene coördinatie van het EU-beleid voor wat betreft de regering in handen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar er zijn ook andere methoden. Zo kent Frankrijk een centralistische coördinatie, belegd bij één centraal orgaan, het SGCI, Secrétariat général du comité interministériel. Deze directie is verbonden aan het kabinet van de Franse minister-president. In Duitsland met zijn Länder hebben de decentrale overheden een grote rol bij de coördinatie van EU-beleid. In het Verenigd Koninkrijk wordt de inbreng primair gecoördineerd door de eerstverantwoordelijke vakdepartementen waarbij het Ministerie van Algemene Zaken eindverantwoordelijk is voor de algemene politieke sturing en eenheid van het Engelse optreden in Brussel.

In het regelgevingsproces in Brussel is er een aantal vaste momenten waarop door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gecoördineerd wat de Nederlandse regering ten aanzien van Europese regelgeving in wording gaat doen en inbrengen in Brussel.

  • BNC (de interdepartementale werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen): Het eerste vaste moment is aan de start van het regelgevingsproces, wanneer de Europese Commissie een voorstel voor Europese regelgeving heeft aangenomen en heeft ingediend bij de andere betrokken Europese instellingen (meestal Raad en Europees Parlement). Dergelijke voorstellen worden door Nederland gesignaleerd via de BNC-procedure.
  • PV-instructieoverleg: Een tweede moment betreft de behandeling van een voorstel voor Europese regelgeving in Coreper. Het standpunt van de Nederlandse regering wordt dan bepaald en afgestemd in het PV-instructieoverleg.
  • CoCo: afstemming BNC fiches, standpunt raden, kabinetsreacties EU onderwerpen
  • MR: Ten slotte beslist de ministerraad over het Nederlandse standpunt ten aanzien van voorstellen die in de Raad besproken worden.