Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

3.3.1.b Verklaring van de instellingen inzake de wetgevingsprocedure

Handleiding Wetgeving en Europa

Aan het Verdrag van Amsterdam is een verklaring gehecht waarin de drie bij de co-decisieprocedure (voorganger van de gewone wetgevingsprocedure) betrokken instellingen (Europese Commissie, Raad en Europees Parlement) aangeven hoe ze deze procedure willen uitvoeren in de praktijk (Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure (artikel 251 EG-Verdrag) PbEG C 145/5). Deze verklaring is ook voor de gewone wetgevingsprocedure nog van belang.

Zo staat in de verklaring bijvoorbeeld de afspraak van de instellingen om zich zoveel mogelijk aan de termijnen te houden teneinde de procedure zo effectief mogelijk te laten zijn. Verder wordt in deze verklaring onder meer aandacht besteed aan een fenomeen in de praktijk van de co-decisieprocedure, namelijk de tri(a)loog, trojka oftewel driepartijenbijeenkomsten: gedurende de verschillende fasen van de procedure komt het vaak voor dat vertegenwoordigers van de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement op informele wijze met elkaar overleggen om  meningsverschillen tussen de instellingen glad te strijken en gemakkelijker tot overeenstemming te kunnen komen. Een en ander bijvoorbeeld met het oog op het vermijden van de instelling van een bemiddelingscomité en daarmee de inleiding van de derde fase van de procedure.

In het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PbEU 2016, L 123) van 13 april 2016 hebben de drie instellingen afspraken gemaakt over de verbetering van het wetgevingsproces, onder andere op het terrein van transparantie en coördinatie. Zo is bijvoorbeeld opgenomen dat de drie instellingen elkaar via passende procedures, waaronder een onderlinge dialoog, elkaar tijdens het wetgevingsproces regelmatig op de hoogte houden van hun werkzaamheden (zie punt 33).