Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

2.7.2 De transponeringstabel

Handleiding Wetgeving en Europa

Vanuit het rechtszekerheidsbeginsel (met name het kenbaarheidsaspect) is het wenselijk is dat implementatie­-regelgeving vergezeld gaat van één of meerdere transponeringstabellen waarin precies te zien is welke bepalingen van een Europees rechtsinstrument waar in de Nederlandse regelgeving geïmplementeerd zijn. Dit is niet alleen voor rechtssubjecten in Nederland gemakkelijk. Dergelijke tabellen stellen tevens de Europese Commissie in staat om bij het toezicht op de naleving van het Unierecht precies na te gaan of een Europees rechtsinstrument juist en volledig is geïmplementeerd.

In de Aanwijzingen (9.12) is opgenomen dat de transponeringstabel wordt opgenomen conform het door de ICER-I vastgestelde format (zie meer over de ICER-I in de ‘III Procedures/3.11g de ICER en zijn vaste werkgroepen’) bij voorkeur aan het einde van de Toelichting. Dit format bevat in ieder geval informatie over de punten die in de Aanwijzingen zijn opgenomen, zoals:

  • de ruimte voor beleidskeuzes, dan wel de verplichting om beleidskeuzes te maken in de betreffende bindende EU-rechtshandeling
  • de wijze waarop met die al dan niet bestaande ruimte is omgegaan
  • indien een bepaling geen omzetting behoeft dient de reden daarvoor te worden aangegeven, bijvoorbeeld omdat bestaand recht reeds aan de bepaling voldoet, de bepaling naar zijn aard geen implementatie behoeft (omdat deze bijvoorbeeld wordt uitgevoerd door feitelijk handelen) of omdat het een facultatieve bepaling betreft.

Naast de verplichting om in de Toelichting een transponeringstabel op te nemen, komt het steeds vaker voor dat EU-richtlijnen de verplichting bevatten om een actuele transponeringstabel mee te sturen bij de implementatiemelding. Zie voor meer informatie over deze verplichting onderdeel 3.5.3b Implementatieregeling en transponeringstabel.

In de transponeringstabel kan worden afgelezen waar en hoe een bepaling uit de Europese regelgeving in de nationale implementatieregeling terecht is gekomen. De tabel is in die zin een soort overzicht van de vertaling van Europese regelgeving naar een Nederlandse regeling. Ook als in uitzonderingsgevallen niet of gedeeltelijk niet geïmplementeerd behoeft te worden in de zin dat er (gedeeltelijk) geen regelgevende activiteiten nodig zijn, dient dit in de transponeringstabel te worden aangegeven zoals hierboven ook werd aangegeven. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de ‘implementatieopdracht’ die meestal aan het einde van Europese regelgeving in een bepaling is opgenomen. Een dergelijke bepaling behoeft als zodanig geen implementatie en dit wordt in de transponeringstabel expliciet opgenomen.

De regel in dat de transponeringstabel ook moet aangeven welke bepalingen van de EU-regeling beleidsruimte bevat en hoe daarmee is omgegaan volgt uit de toezeggingen van de regering aan de Tweede Kamer in de brief van de Minister van Justitie van 23 december 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 21 109, nr. 145).

De meest recente versie van het door de ICER-I vastgestelde model transponeringstabel en fictief voorbeeld van een ingevulde transponeringstabel is als volgt.

Door de rechtstreekse toepasselijkheid van bepalingen van verordeningen komt het – in het geval er toch implementatieregelgeving wordt gemaakt ter uitvoering van de verordening – vrijwel altijd voor dat er bepalingen van de verordening geen uitvoering in de zin van regelgeving behoeven. Het is dan toch nodig deze bepalingen in de transponeringstabel op te nemen met de vermelding dat er geen (uitvoering in de zin van) implementatie door middel van regelgevende activiteiten nodig is.

Zie voor een voorbeeld van een transponeringstabel bij een verordening bijvoorbeeld de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Telecommunicatiewet, de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten in verband met de uitvoering van EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (uitvoering EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten), (Kamerstukken II 2015/16, 34413, nr. 3).