Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

2.5.3.g Uitvoering door feitelijk handelen in relatie tot concrete eisen aan toezicht en handhaving

Handleiding Wetgeving en Europa

In onderdeel “2.2.2. Alleen feitelijk handelen” kwam al aan de orde dat verplichtingen tot feitelijk handelen in Europese regelgeving over het algemeen niet door middel van regelgevende activiteiten geïmplementeerd behoeven te worden. Ten aanzien van handhaving heeft dit onder meer consequenties voor Europese voorschriften over toezicht en controle. Verplichtingen tot feitelijk handelen in het kader van toezicht en controle komen zowel in verordeningen als in richtlijnen voor, met name waar het gaat om het voldoen aan specifieke waarden. Soms is niet duidelijk wat de reikwijdte is van feitelijke verplichtingen over handhaving in Europese regelgeving. De Europese Commissie dringt dan toch aan tot het nemen van implementatiemaatregelen ook al gaat het op het oog om feitelijke verplichtingen.

Voorbeeld 1
Een voorbeeld van een dergelijke verplichting rondom specifieke waarden is er in het kader van de kwaliteit van zwemwater in richtlijn nr. 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit (tot intrekking van richtlijn nr. 76/160/EEG, PbEU 2006 L64/37). In deze richtlijn staan heel specifieke verplichtingen opgenomen over de controle van zwemwater en volgens welke parameters dat moet gebeuren. Het gaat hier deels om feitelijke verplichtingen die een rol spelen bij de daadwerkelijke controles in de praktijk. De wetgever moet de randvoorwaarden scheppen en  regelen maar het is aan de instanties die de regelgeving handhaven de verplichtingen rondom bijvoorbeeld frequenties van handhaven in acht te nemen.

“Artikel 3
Controle

1. De lidstaten wijzen elk jaar alle zwemwateren aan en bepalen de duur van het badseizoen. Zij doen dit voor het eerst vóór de aanvang van het eerste badseizoen na 24 maart 2008.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in bijlage I, kolom A, genoemde parameters worden gecontroleerd overeenkomstig bijlage IV.
3. Het controlepunt is de locatie in het zwemwater waar:
a) de meeste zwemmers worden verwacht, of
b) volgens het zwemwaterprofiel het grootste risico van verontreiniging wordt verwacht.
4. Vóór het begin van elk badseizoen, en de eerste maal vóór het begin van het derde volledige badseizoen na de inwerkingtreding van deze richtlijn, wordt voor elk zwemwater een tijdschema voor controle vastgesteld. De controle wordt uitgevoerd binnen vier dagen na de in het tijdschema bepaalde datum.
5. De lidstaten kunnen de controle van de in bijlage I, kolom A, genoemde parameters invoeren tijdens het eerste volledige badseizoen na de inwerkingtreding van deze richtlijn. In dat geval wordt de controle uitgevoerd volgens de in bijlage IV bepaalde frequentie. De resultaten van deze controle kunnen worden gebruikt om de in artikel 4 bedoelde reeksen zwemwaterkwaliteitsgegevens op te stellen. Zodra de lidstaten de controle in het kader van deze richtlijn invoeren, mag de controle van de parameters van de bijlage van Richtlijn 76/160/EEG gestaakt worden.
6. Tijdens een kortstondige verontreiniging genomen monsters mogen buiten beschouwing worden gelaten. Zij worden vervangen door overeenkomstig bijlage IV genomen monsters.

7. In abnormale situaties kan het in lid 4 bedoelde tijdschema voor de controle worden geschorst. De uitvoering wordt, zodra de abnormale situatie een einde heeft genomen, hervat. Er worden dan zo spoedig mogelijk ter compensatie van het monstervrije interval nieuwe monsters genomen.
8. De lidstaten rapporteren aan de Commissie over elke schorsing van het tijdschema voor de controle, n vermelden daarin de redenen van de schorsing. Zij verstrekken deze verslagen op zijn laatst tezamen met het eerstvolgende jaarverslag als bedoeld in artikel 13.
9. De lidstaten zorgen ervoor dat de zwemwateranalyse uitgevoerd wordt overeenkomstig de referentiemethoden van bijlage I en de voorschriften van bijlage V. De lidstaten kunnen evenwel andere methoden of normvoorschriften toestaan indien zij kunnen aantonen dat het resultaat daarvan gelijkwaardig is aan het resultaat dat bereikt wordt met de methoden van bijlage I en de voorschriften van bijlage V. De lidstaten die het gebruik van dergelijke gelijkwaardige methoden of normen toestaan, verstrekken de Commissie alle relevante informatie over de gebruikte methoden of normen en hun gelijkwaardigheid.”

Voorbeeld 2
In het kaderbesluit (een voormalig derde pijler-instrument, zie onderdeel 1.1.6b Kaderbesluiten) inzake het witwassen van geld (Kaderbesluit nr. 2001/500/JHA van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven, PbEU 2001, L182/1) wordt in artikel 4 de verplichting opgelegd om binnenlandse en buitenlandse maatregelen op één lijn te stellen voorzover het de prioriteit betreft waarmee ze worden behandeld.

“Artikel 4
De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn opdat alle verzoeken van andere lidstaten met betrekking tot de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van vermogensbestanddelen met dezelfde prioriteit behandeld worden als soortgelijke maatregelen in binnenlandse procedures.”

In het verslag naar aanleiding van dit kaderbesluit geeft de Europese Commissie aan dat het hier gaat om meer dan een feitelijke verplichting. Volgens de Europese Commissie mogen specifieke omzettingsbepalingen niet uitblijven aangezien het onmogelijk te beoordelen is in hoeverre verzoeken gelijk worden behandeld wat betreft de prioriteit van het verzoek zelf, tenzij er een specifieke regel op dit punt bestaat in soortgelijke bewoordingen als in het kaderbesluit (Verslag van de Commissie op grond van artikel 6 van het Kaderbesluit van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven, 05.04.2004, COM(2004)230 def).