Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

2.5.3.f Transnationale samenwerking

Handleiding Wetgeving en Europa

Een fenomeen dat steeds vaker voorkomt in Europese regelgeving is dat bevoegde instanties van de regelgeving met elkaar (dus lidstaten onderling) en/of met de Europese Commissie moeten samenwerken bij de handhaving van de materiële voorschriften van de regelgeving. Dit soort regelgeving schrijft dan vaak expliciet voor dat lidstaten elkaar bijvoorbeeld verzoeken om informatie en bijstand kunnen doen.

Voorbeeld 1
De dienstenrichtlijn (richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU L 376/36) bevat een heel hoofdstuk over administratieve samenwerking tussen betrokken instanties van de diverse lidstaten (hoofdstuk VI administratieve samenwerking met onder meer wederzijdse bijstand bepalingen). Deze bepalingen zijn omgezet in hoofdstuk 6 van de Dienstenwet.

Voorbeeld 2
In het mededingingsrecht is sprake van zowel directe handhaving (op Europees niveau door de Europese Commissie) als indirecte handhaving (door de lidstaten). Op grond van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst), PbEU 2003, L 1/1) dient bijvoorbeeld bijstand te worden verleend aan Europese inspecteurs op het eigen grondgebied van de lidstaat.

“Artikel 20 lid 5 luidt als volgt:
De functionarissen van de mededingingsautoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht alsook de door die autoriteit gemachtigde of aangewezen functionarissen, verlenen, wanneer deze autoriteit of de Commissie hierom verzoekt, de door de Commissie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen actief bijstand. Zij beschikken te dien einde over de in lid 2 omschreven bevoegdheden.”

Deze bepaling is in het Nederlandse recht verwerkt in artikel 89g van de Mededingingswet:
1 Met het verrichten van een inspectie op grond van een mededingingsverordening door de Autoriteit Consument en Markt op verzoek van de Europese Commissie of op verzoek van een mededingingsautoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, zijn belast de krachtens artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt aangewezen ambtenaren.

2 De aangewezen ambtenaren beschikken voor het verrichten van de inspectie over de bevoegdheden die hun ingevolge hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en hoofdstuk 6 zijn toegekend ter uitoefening van het toezicht op de naleving.

Voorbeeld 3
Een voorbeeld van voorschriften terzake van samenwerking tussen de lidstaten bij de aanwijzing van bevoegde instanties en de uitoefening van taken door die instanties is ook te vinden in de richtlijn inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet, PbEU 2004, L 167/39). In lid 3 van artikel 4 zijn samenwerkingsvoorschriften opgenomen voor tunnels die zich op het grondgebied van meerdere lidstaten bevinden:

“Artikel 4
Bestuursorgaan

1. De lidstaten wijzen één of meer bestuursorganen aan, hierna "het bestuursorgaan" genoemd; het bestuursorgaan draagt de verantwoordelijkheid erop toe te zien dat alle veiligheidsaspecten van een tunnel in acht worden genomen, en stelt de nodige voorzorgsmaatregelen vast om de naleving van deze richtlijn te verzekeren.
2. Het bestuursorgaan kan op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgericht.
3. Elke tunnel in het trans-Europese wegennet die zich op het grondgebied van één lidstaat bevindt, valt onder de verantwoordelijkheid van één enkel bestuursorgaan. Voor elke tunnel die zich op het grondgebied van twee lidstaten bevindt, wijst elk van de beide lidstaten een bestuursorgaan aan of wijzen de beide lidstaten een gemeenschappelijk bestuursorgaan aan. Indien er twee verschillende bestuursorganen zijn, worden de beslissingen van elk bestuursorgaan wat betreft de uitoefening van zijn respectieve bevoegdheden en verantwoordelijkheden in verband met de veiligheid van de tunnel genomen met de voorafgaande instemming van het andere bestuursorgaan.
4. Het bestuursorgaan geeft toestemming om tunnels in gebruik te nemen als beschreven in bijlage II.

5. Onverminderd nadere nationale regelingen op dit gebied is het bestuursorgaan bevoegd om het gebruik van een tunnel te onderbreken of te beperken als niet voldaan is aan de veiligheidseisen. Het geeft daarbij aan onder welke voorwaarden het normale verkeer weer doorgang kan vinden.
6. Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat de volgende taken worden uitgevoerd:
a) op gezette tijden testen en inspecteren van tunnels en daarmee verband houdende veiligheidseisen opstellen;
b) opstellen van organisatorische plannen en uitvoeringsplannen (met inbegrip van calamiteitenplannen) voor de training en uitrusting van hulpdiensten;

c) vaststellen van de procedure voor onmiddellijke sluiting van tunnels in noodgevallen;
d) implementeren van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen.
7. Indien vóór de aanwijzing van een bestuursorgaan uit hoofde van deze richtlijn reeds dergelijke lichamen bestonden, kunnen deze hun activiteiten voortzetten mits die in overeenstemming zijn met deze richtlijn.”

Deze richtlijn is onder meer omgezet in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels.