Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

2.5.3.e Concrete handhavingsbevoegdheden

Handleiding Wetgeving en Europa

Soms kan Europese regelgeving die geïmplementeerd moet worden expliciete voorschriften bevatten over handhavingsbevoegdheden, maar soms worden er bevoegdheden verondersteld.

Voorbeeld 1
Een voorbeeld van expliciet vereiste bevoegdheden kan gevonden worden in de Europese regelgeving in en rondom de ‘Markets in financial instruments directive’ (richtlijn nr. 2004/39/EG betreffende de markten voor financiële instrumenten, meermalen gewijzigd, laatstelijk via richtlijn nr. 2008/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot wijziging van richtlijn nr. 2004/39/EG  betreffende markten voor financiële instrumenten, wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft, PbEU L 76/33). Nationale toezichthouders dienen in het kader van deze en aanverwante richtlijnen te beschikken over onder meer de volgende bevoegdheden:

het verkrijgen van toegang tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift hiervan te ontvangen;
het verlangen van aanvullende inlichtingen van iedere persoon en zo nodig een persoon op te roepen en te ondervragen om inlichtingen te verkrijgen;
het verrichten van inspecties ter plaatse;
het verlangen van bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer;
het verlangen dat elke praktijk die in strijd is met de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen wordt beëindigd.

Voorbeeld 2
Een tweede voorbeeld van expliciete voorschriften is de verordening betreffende samenwerking op het gebied van consumentenbescherming (“verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming” EU (nr.) 2006/2004), PbEU 2004, L 364/1:

“Artikel 4
……
6. De in lid 3 bedoelde bevoegdheden worden alleen dan uitgeoefend wanneer er een redelijk vermoeden bestaat dat een intracommunautaire inbreuk heeft plaatsgevonden en omvatten ten minste het recht om:
a) toegang te krijgen tot elk relevant document, in ongeacht welke vorm, betreffende de intracommunautaire inbreuk;
b) van ongeacht welke persoon relevante informatie over de intracommunautaire inbreuk te eisen;
c) de noodzakelijke inspecties ter plaatse uit te voeren;
d) de betrokken verkoper of dienstverlener schriftelijk te verzoeken de intracommunautaire inbreuk te beëindigen;
e) van de voor intracommunautaire inbreuken verantwoordelijke verkoper of dienstverlener de toezegging te verkrijgen dat de intracommunautaire inbreuk zal worden beëindigd en deze toezegging, waar passend, openbaar te maken;
f) de beëindiging of het verbod van elke intracommunautaire inbreuk te eisen en de hieruit voortvloeiende beslissingen, waar passend, openbaar te maken;
g) te eisen dat de in het ongelijk gestelde gedaagde, indien deze zich niet naar de uitspraak voegt, aan de schatkist of aan een bij of krachtens de nationale wetgeving aangewezen begunstigde betalingen verricht.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze verordening over voldoende middelen beschikken. De bevoegde ambtenaren nemen de beroepsnormen in acht en zijn onderworpen aan passende interne procedures of gedragsregels die met name voorzien in de bescherming van personen voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens, de billijkheid van de procedures en de naleving van de in artikel 13 neergelegde bepalingen met betrekking tot de vertrouwelijkheid en het beroepsgeheim.
8. Elke bevoegde autoriteit maakt de haar uit hoofde van deze verordening toegekende rechten en verantwoordelijkheden bekend bij het grote publiek en wijst de bevoegde ambtenaren aan.

Voorbeeld 3
Een meer impliciete opdracht bevat artikel 30 van de dienstenrichtlijn (richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU L 376/36). Daarin wordt voorgeschreven dat lidstaten toezicht uitoefenen op dienstverrichters die gevestigd zijn in hun lidstaat, ook al heeft hun dienstverlening een internationale component, in de zin dat bijvoorbeeld de dienstverrichter tijdelijk in een andere lidstaat verblijft of dat de dienst in een andere lidstaat wordt afgenomen. Hoewel in het artikel geëxpliciteerd is dat toezicht wordt uitgeoefend “in overeenstemming met de in zijn nationale wetgeving vastgestelde toezichtsbevoegdheden” wordt met het artikel wel verondersteld dat er nationale toezichtsbevoegdheden zijn:

“Artikel 30
Toezicht door de lidstaat van vestiging wanneer de dienstverrichter zich tijdelijk naar een andere lidstaat begeeft.
1. Ten aanzien van gevallen die niet onder artikel 31, lid 1, vallen, ziet de lidstaat van vestiging erop toe dat op de naleving van zijn eisen toezicht wordt uitgeoefend in overeenstemming met de in zijn nationale wetgeving vastgestelde toezichtsbevoegdheden, in het bijzonder door toezichtsmaatregelen op de plaats van vestiging van de dienstverrichter.
2. De lidstaat van vestiging ziet niet af van toezichts- of handhavingsmaatregelen op zijn grondgebied om reden dat de dienst in een andere lidstaat is verricht of daar schade heeft veroorzaakt.”

Voorbeeld 4
In artikel 49 van verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 181) zijn uitgebreide voorschriften opgenomen over waar het toezicht tenminste aan moet voldoen:

Toezicht
1.   De nationale accreditatie-instantie voert een jaarlijks toezicht uit op elke verificateur waaraan zij een accreditatiecertificaat heeft afgegeven.
Het toezicht bestaat ten minste uit:
a. een bezoek ter plaatse aan de verificateur om de in artikel 47, lid 1, onder b), bedoelde activiteiten uit te voeren;

b. een observatie van de prestaties en competentie van een representatief aantal medewerkers van de verificateur overeenkomstig artikel 47, lid 1, onder c).
2.   Uiterlijk twaalf maanden na de datum waarop het accreditatiecertificaat aan de verificateur is afgegeven, voert de nationale accreditatie-instantie het eerste toezicht op een verificateur overeenkomstig lid 1 uit.
3.   De nationale accreditatie-instantie bereidt haar plan voor het toezicht op elke verificateur zo voor dat representatieve monsters van het toepassingsgebied van de accreditatie kunnen worden beoordeeld, overeenkomstig de eisen die zijn vastgesteld in de in bijlage III bedoelde geharmoniseerde norm.

4.   Op basis van de resultaten van in lid 1 bedoelde toezicht besluit de nationale accreditatie-instantie of de voortzetting van de accreditatie wordt bevestigd.
5.   Wanneer een verificateur een verificatie in een andere lidstaat uitvoert, kan de nationale accreditatie-instantie die de verificateur heeft geaccrediteerd, een verzoek indienen bij de nationale accreditatie-instantie van de lidstaat waar de verificatie wordt uitgevoerd, om toezichtactiviteiten namens haar en onder haar verantwoordelijkheid uit te voeren.