Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 8.20 Overlegging tijdens recesperioden

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Voor overlegging van een verdrag aan de beide kamers der Staten-Generaal ter stilzwijgende goedkeuring wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste tweederde van de in artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bedoelde termijn buiten een reces van de kamers valt.
  2. Voor overlegging aan de beide kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat uitsluitend de uitvoering betreft van een goedgekeurd verdrag, zoals bedoeld in artikel 7, onder b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de kamers valt.
  3. Voor de overlegging aan de beide kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat de verlenging van een aflopend verdrag betreft, zoals bedoeld in artikel 7, onder e, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 9, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de kamers valt.
  4. De beide kamers der Staten-Generaal worden op een zodanig tijdstip ingelicht over de beslissing, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wet raadgevend referendum dat ten minste driekwart van de in het eerste lid bedoelde termijn buiten een reces van de kamers valt.
  5. Indien de voorgaande leden niet in acht genomen kunnen worden, wordt dit bij de overlegging dan wel de kennisgeving door de Minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.

Toelichting

Hiermee wordt zeker gesteld dat de Staten-Generaal hun rechten ter zake ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

Artikel 15, tweede lid, Wrr bepaalt, met betrekking tot stilzwijgend goedgekeurde verdragen, dat indien onherroepelijk is vastgesteld dat een referendum heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, de binding aan het verdrag niet kan worden aangegaan voordat vier weken zijn verstreken nadat de Minister van Buitenlandse Zaken de Staten-Generaal heeft ingelicht dat geen voorstel van wet tot intrekking van de aan het verdrag verleende goedkeuring zal worden ingediend. Van deze vier weken vallen ten minste drie weken buiten een reces van de kamers, tenzij bij de verstrekking van de inlichtingen uitdrukkelijk en gemotiveerd wordt vermeld waarom deze termijn niet in acht kan worden genomen.