Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 5.39 Assistentie van politie

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Het regelen van de mogelijkheid om bij de uitoefening van een bevoegdheid de assistentie van de politie in te roepen, geschiedt overeenkomstig het volgende model:
    De [omschrijving bevoegde personen] oefenen hun [omschrijving bevoegdheid] zo nodig uit met behulp van de sterke arm.
  2. Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden verrichten, worden de daarmee te belasten ambtenaren aangeduid als: de ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
  3. Indien het de bedoeling is ook ander politiepersoneel taken of bevoegdheden op te dragen, wordt de daarmee te belasten ambtenaar aangeduid als: de ambtenaar van politie.

Toelichting

Eerste lid. Artikel 5:15, tweede lid, Awb voorziet reeds in de bevoegdheid van toezichthouders om politieassistentie in te roepen bij het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen).

Tweede lid. Het gaat hier om de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen a, c en d, van de Politiewet 2012, die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. De overige ambtenaren, genoemd in artikel 2 van die wet zijn aldus uitgesloten. De formulering "aangesteld voor de uitvoering van de politietaak" omvat mede de militairen van de Koninklijke marechaussee die politietaken uitoefenen.

Derde lid. Het gaat hier om een uitbreiding tot de overige in artikel 2 van de Politiewet 2012 bedoelde ambtenaren, met name technisch, administratief en ondersteunend personeel. Zie bijvoorbeeld artikel 94 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

Voorbeeld bij het eerste lid