Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 5.63 Modelbepaling terugwerkende kracht

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door de regeling in werking te laten treden op een tijdstip dat in het verleden ligt.
  2. Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt:
    A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van … en werkt [ten aanzien van artikel … / de artikelen …] terug tot en met …
    B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat deze wet / dit besluit terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld].
  3. Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen.

Toelichting

Zie ook aanwijzing 4.16, eerste lid.

Indien het wenselijk is om uitdrukkelijk aan te geven in hoeverre een wet toepasselijk is op feiten die in het verleden hebben plaatsgevonden, kan het volgende voorbeeld worden gebruikt: Artikel 10 vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot feiten die in het jaar 2015 hebben plaatsgevonden.

Niet toegestaan is het gebruik van de formulering "Deze wet wordt geacht in werking te zijn getreden met ingang van …" (zie hiervoor ook de artikelen 88 en 89 van de Grondwet).

Indien nodig kunnen de modellen uit deze aanwijzing worden gecombineerd met die uit aanwijzing 4.22 en, bij referendabele wetten, die uit aanwijzing 4.23.