Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 4.18 Tijdstip inwerkingtreding referendabele wet

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of onderdeel van een wet waarover op grond van de Wet raadgevend referendum een referendum kan worden gehouden, wordt niet eerder gesteld dan acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 7 van de Wet raadgevend referendum.
  2. Onder toepassing van artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum kan een eerder tijdstip van inwerkingtreding worden vastgesteld, indien de inwerkingtreding van de wet waarover een referendum kan worden gehouden, geen uitstel kan lijden.
  3. In de toelichting wordt de toepassing van artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum gemotiveerd.

Toelichting

Deze aanwijzing is gebaseerd op verschillende bepalingen uit de Wrr. Deze wet verplicht ertoe een termijn van ten minste acht weken in acht te nemen, voordat een referendabele wet in werking kan treden. De termijn vangt aan nadat in de Staatscourant mededeling is gedaan van het besluit dat de wet referendabel is (artikel 8, eerste lid, Wrr). De Wrr bevat een vangnetbepaling voor het geval de termijn van acht weken niet in acht is genomen: in dat geval wordt de inwerkingtreding van rechtswege opgeschort tot de dag na het verstrijken van die termijn (artikel 8, tweede lid, Wrr). Hiervan zal mededeling worden gedaan door in het Staatsblad waarin de wet wordt bekendgemaakt, een voetnoot bij de inwerkingtredingsbepaling te plaatsen.

Nadat een inleidend verzoek tot het houden van een referendum onherroepelijk is toegelaten, vervalt in de referendabele wet van rechtswege hetgeen omtrent de inwerkingtreding van die wet is geregeld (artikel 9 Wrr). Dit heeft tot gevolg dat de inwerkingtreding opnieuw zal moeten worden geregeld, als er vervolgens onvoldoende steun is om inderdaad een referendum te houden of als het referendum wel wordt gehouden, maar niet tot afwijzing van de wet leidt. De inwerkingtreding wordt in dat geval bij koninklijk besluit geregeld, met als grondslag artikel 10 Wrr. Zie artikel 11 Wrr voor de situatie dat een referendum wel tot afwijzing van de daaraan onderworpen wet leidt.

Zie voor de wetten die aan een referendum kunnen worden onderworpen de artikelen 4 en 5 Wrr. Rijkswetten zijn niet referendabel, met uitzondering van rijkswetten tot goedkeuring van een verdrag dat binnen het Koninkrijk alleen voor Nederland geldt. Zie ook de toelichting bij aanwijzing 4.27, tweede lid.

Tweede en derde lid. Artikel 12, eerste lid, Wrr bevat een bijzondere voorziening voor het geval de inwerkingtreding van een referendabele wet geen uitstel kan lijden. Daarbij moet met name worden gedacht aan situaties waarin uitstel van inwerkingtreding, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, zou leiden tot aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen, en aan spoed- of noodregelgeving. In dergelijke gevallen is het mogelijk om de wet, in afwijking van de artikelen 8 en 9 Wrr, reeds in werking te laten treden voordat de termijn van acht weken is verstreken. Zie voor de formulering van de inwerkingtredingsbepaling aanwijzing 4.23.

In de memorie van toelichting (of de toelichting bij een nota van wijziging) en, indien model A uit aanwijzing 4.23 is gebruikt, de nota van toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit dient te worden gemotiveerd waarom de inwerkingtreding van de wet geen uitstel kan lijden en waarom het noodzakelijk is af te wijken van de hoofdregel van de Wrr. Daarbij moet worden bedacht dat toepassing van artikel 12, eerste lid, Wrr niet afdoet aan de referendabiliteit van de wet. Toepassing van artikel 12, eerste lid, Wrr kan er dus toe leiden dat een reeds in werking getreden wet, waardoor al rechtsgevolgen zijn ontstaan, alsnog aan een referendum wordt onderworpen. Zie in dit verband ook artikel 12, vierde lid, Wrr met betrekking tot mogelijke schadeplichtigheid, indien een reeds in werking getreden wet naar aanleiding van een referendum alsnog zou worden ingetrokken. Overwogen moet worden of de ongewenste effecten van uitgestelde inwerkingtreding niet ook door het verlenen van terugwerkende kracht kunnen worden weggenomen. Zie voor terugwerkende kracht de aanwijzingen 5.62 en 5.63.