Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 4.17 Vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Een wet of een algemene maatregel van bestuur treedt in werking met ingang van 1 januari of 1 juli.
  2. Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.
  3. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor regelingen over het onderwijs de volgende vaste verandermomenten:
    1. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het basis­onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari en 1 augustus;
    2. voor ministeriële regelingen betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari, 1 april, 1 augustus en 1 oktober;
    3. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het hoger onderwijs: 1 januari en 1 september;
    4. voor ministeriële regelingen betreffende het hoger onderwijs: 1 januari, 1 april, 1 september en 1 oktober.
  1. De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.
  2. Uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover:
    1. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt;
    2. het spoed- of noodregelgeving betreft;
    3. het reparatieregelgeving betreft; of
    4. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreft.
  1. De toepassing van een uitzonderingsgrond wordt gemotiveerd in de toelichting bij de regeling of in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit.

Toelichting

De toepassing van vaste verandermomenten en een minimuminvoeringstermijn zorgen ervoor dat degenen tot wie de regeling zich richt, niet op te veel verschillende momenten worden geconfronteerd met wijzigingen van regelgeving en dat ze tijd krijgen om zich hierop voor te bereiden.

Onder omstandigheden kan ook de Wrr leiden tot toepassing van het vijfde lid, onderdeel a.

Indien een regeling direct relevant is voor decentrale overheden, wordt op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen een invoeringstermijn van minimaal drie maanden aangehouden.

Bij rijkswetgeving moet er bij het bepalen van de invoeringstermijn tevens rekening mee worden gehouden dat de regeling – behalve in het Staatsblad of de Staatscourant – ook in het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten moet worden gepubliceerd.

Derde lid. Voor regelingen op het terrein van het onderwijs gelden met het oog op het begin van het school- of studiejaar (per 1 augustus en 1 september) andere vaste verandermomenten.