Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken

Aanwijzing 2.28 Terminologie bij delegatie aan minister

Aanwijzingen voor de regelgeving (10e wijziging)

  1. Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt de formulering "bij ministeriële regeling" of "bij regeling van Onze Minister" gebruikt.
  2. Indien uit de delegerende regeling niet reeds voortvloeit welke minister bevoegd is, of indien een afwijkende bevoegdheidstoedeling is beoogd, wordt de formulering "bij regeling van Onze Minister van/voor …" gebruikt.
  3. Indien het wenselijk is te bepalen dat een ministeriële regeling onder verantwoordelijkheid van meer dan een bewindspersoon wordt vastgesteld, wordt daarvoor de formulering "bij regeling van Onze Minister van/voor…, handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor …" gebruikt, tenzij "Onze Minister" in de delegerende regeling reeds is gedefinieerd als: "Onze Minister van/voor…, handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor …".

Toelichting

Ook een door een staatssecretaris vastgestelde regeling wordt aangeduid als ministeriële regeling. Zie aanwijzing 3.26.

Tweede lid. Ook voor een ministeriële regeling geldt dat in het algemeen uit de te regelen materie of uit de (ondertekening van de) delegerende regeling blijkt welke bewindspersoon bevoegd is. Indien daarover echter onduidelijkheid kan bestaan of indien een afwijkende bevoegdheids­toedeling is beoogd, dient in de delegerende regeling de formulering "bij regeling van Onze Minister van/voor …" te worden gebruikt. Aangezien bij ministeriële regelingen, anders dan bij wetten en algemene maatregelen van bestuur, de ondertekening door de bewindspersoon of bewindspersonen de vaststelling van de regeling inhoudt, kan in laatstbedoeld geval de regeling slechts worden ondertekend door degene aan wie de regelgevende bevoegdheid is gedelegeerd.

Derde lid. Het vaststellen van een ministeriële regeling door één bewindspersoon in overeenstemming met een of meer andere bewindspersonen, heeft tot gevolg dat de regeling alleen kan worden vastgesteld indien tussen de betrokken bewindspersonen overeenstemming bestaat en dat de regeling uitsluitend door de eerstgenoemde bewindspersoon wordt ondertekend (zie aanwijzing 4.33).